4.8.11

vogel

binnenstebuiten, met niets dan naden om je heen.
wat aan je binnenkant is, staat te lezen. het is alvast
niet te overzien.
niet met de ogen die elk een helft
van de wereld voor hun rekening nemen. niet
met de vleugels die je hoog in de lucht. niet
met je stem om te bezingen
nu je buiten bent
hier vanbinnen
begint de liefde, begint je vlucht
het nemen van de volle teugen
het verdrinken het zat zijn en nooit dronken
tot daar aan toe jij het wel
en het jou nooit
maar dan ook nooit
volledig moe
aan jou is een vogel, gelukkig maar
aan ons is wat men heet een mens besteed
we doen het dan maar met elkaar
voor het leven
tot een van ons beter weet
en wat dan nog
als alles weer in haar plooien valt
en we weer één zijn als weleer
dan baat geen woord en ook geen weten
dan is alles aan het tegenovergestelde
omgekeerd.
wat moeten we dan, hier, in dat intussen
wat strelen aan de lucht
wat zacht de aarde voelen
en ons laven aan een zucht
we zijn te licht om te beseffen
dat wat we doen ook moet zoals het hoort
laten we luisteren en elkaar opheffen
en twijfel zaaien waar verstarring gloort.