20.11.09

Snapshots van het avondland: Zestig cent

Als de achterkant van het heelal nog niet bestaat, dan moeten ze die nu uitvinden: de plek waar alles ongenadig eindigt, de hoek waar alle naden samenkomen, de tol van het streven naar perfectie, de steenpuist van God, precies waar hij zitten moet. Daar.

Dat is dan zestig cent. Dank u.

Iedereen komt hier op audiëntie, ongevraagd en naar believen. Zolang je maar je beurt afwacht is er geen probleem. De duur van het bezoek bepaal je zelf. De invulling die je eraan geeft ook. Daar bemoeit ze zich niet mee. Wereldleiders, teringlijders, iedereen is voor haar gelijk.

Dat is dan zestig cent. Dank u.

Het gaat hier niet over wereldschokkende zaken. Daar hebben ze buiten hun handen al vol mee. Het gaat hier over het hoogstnoodzakelijke, over de zaken waar in het openbare leven meestal over wordt gezwegen. Al worden er ook hier niet veel woorden aan vuil gemaakt.

Dat is dan zestig cent. Dank u.

We zijn bang geworden voor wie we zijn. Dat zie je zo. Ze haasten zich hier naartoe alsof hun leven ervan af hangt. En nadien kunnen ze niet rap genoeg weg zijn. Als het niet is om u van uw schoonste kant te laten zien, dan liever niet zeker? Niets menselijks is haar vreemd. Haar niet. Ons wel.

Zestig cent. Dank u.

Tl-licht laat niet veel aan de verbeelding over. Ze vraagt zich af of de Turken uit haar straat daarom zo van dat licht houden. Is het omdat ze willen blijven zien wie ze zijn, anders dan de rest? Of is het omdat ze zich niet door het leven willen laten misleiden? Dat er niet veel te lachen valt. Dat het niets anders is dan misérie. En dat de lelijkheid de mens toont dat er nog veel werk aan de winkel is. Nederigheid is geen overbodige luxe.

Zestig, ja zestig cent ja.

Haar discretie is wereldberoemd. Bij haar kan iedereen vrijuit spreken. Censuur of racisme zijn onbestaande. Als de democratie ooit uitgevonden is, dan is het wel daar, de heilige graal van de gelijkheid. Als ge u ooit afvraagt waar Martin Luther King zijn inspiratie vandaan heeft gehaald voor zijn ‘I have a dream that one day this nation will rise up and live out the true meaning of its creed: “We hold these truths to be self-evident: that all men are created equal.”‘ Stop met zoeken. Yes we can? Yes indeed.

Zestig cent. Dank u.

Aan het einde van de dag gaat ook zij naar huis. Eerst alle sporen zorgvuldig uitwissen, bril schoonmaken en dan het licht uit. Paleis op slot en grendel. Haar spataders verraden dat ze zich zorgen maakt. "Stinkmadam!" Onverstoorbaar strompelt ze verder, het kruispunt over. Straks springt het licht op rood. Ook voor haar kent de logica geen genade. Het is beginnen te regenen. Ze heeft geen regenjas, geen paraplu. Ze heeft geen kleren, geen huid, geen lichaam, geen reden van bestaan. Ze loopt voorbij een zwerver. Hij heeft haar herkend en steekt zijn hand uit. Zestig cent. Alstublieft.

Ze kijkt hem aan.

Aprés moi, le déluge.

11.8.09

clown

Soms wil ik mijn thee uitdrinken en zeggen:
"Ik stop ermee. Ik word clown."
Maar het moeilijkste
aan clown worden,
zo heb ik na al die jaren theedrinken geleerd,
is beginnen. Het circus, het publiek, de schmink,
het licht, de truukjes, neus en schoenen,
daar ligt het niet aan, dat groeit er wel aan
met de jaren.
Maar je moment kiezen, of beter,
het moment dat jou kiest
en dan weten dat het zover is
het herkennen als je in de spiegel kijkt
of beter,
als je een spiegel voorgehouden wordt
net op het moment
dat je woedend je kop
door de kamer hebt gekeild
nadat je wat thee gemorst had
op je kraaknette pak
en je vrouw je aankijkt met een blik van
"Ben je nu helemaal gek geworden?"
je het niet zeker weet of je nu
moet huilen of lachen.

Dan.
Dat is het moeilijkste.

9.8.09

circus. zomaar

Poëzie is het doen

omdat je weet
dat het straks misschien niet meer kan. Gewoon,
zomaar.
Zoals de acrobaat nog iedere avond zijn vrouw
boven zijn hoofd tilt, na meer dan vijftig jaar
en één dag. En morgen misschien twee.
Of zoals de clown die met grootse schoenen
de kleinste kruimel uitdaagt
om hem te doen struikelen
om dan in stijl te vallen
en hoogmoed en noodlot vakkundig te herleiden
tot een detail
waar je met de glimlach aan voorbij gaat.
Misschien is dat ook het mooie aan mislukken,
dat het zo ook kan.
En wanneer het dan gebeurt,
dan is het maar dat. Gewoon gedaan,
zomaar. Leven is het doen
in stijl omdat je weet dat het straks misschien
niet meer kan. Gewoon.

24.6.09

petit histoire

je zou kunnen denken
ze dronk een glas
rode wijn
van die hele diepe
waarin zelfs een woord
als aarzelen
ternauwernood kan opborrelen
en ze proestte
omdat ze een kreet wilde slaken
van 'het zal toch niet waar zijn
zeker?' van vreugde om de vrijheid
om daarna met haar ranke vingers
de achtergebleven druppels van haar onderlip te vegen
haar ogen onbeweeglijk op het schouwspel gericht
ze schieten langzaam vol
links biggelt een eerste traan over haar met blos begeesterde wang
verzoent zich met een druppel wijn
en valt, na even aan haar kin gebalanceerd te hebben
n
a
a
r
b
e
n
e
d
e
n
.

je zou kunnen denken
ze dronk een glas rode wijn
als je niet wist
er is zopas een kogel door haar hart gegaan.

23.6.09

onderweg - 19 VII 09 - beautiful freak


ze zit tegenover me in de trein. de dame met haar pincet. op haar schoot ligt een boek. ze leest. al kan ik dat moeilijk geloven. want met haar ene hand speurt ze voortdurend haar gezicht af op zoek naar zonevreemde haartjes en samenzweerderige puistjes. haar andere hand blijft standby, pincet in de aanslag. klaar om in te grijpen wanneer het nodig is.

volgende pagina. daar gaat het pincet naar haar kin, knijpt ongenadig in onzichtbare boosdoeners terwijl ze met haar andere hand blijft speuren naar lijfeigen ongedierte. ze trekt en knijpt en tast en trekt, knijpt, tast, trekt, knijpt, tast en pulkt diep in haar neus. verwijdert een snotkorrel. met haar andere hand trekt ze schijnbaar lukraak haren uit haar hoofd en strooit ze op de grond, samen met de snotkorrel. hier wordt niet getalmd. ze pulkt en ze strooit. en pulkt en strooit. pulkt en strooit, pulkt en strooit, pulkt, strooit, pulkt ... en knabbelt. en slikt. en trekt weerom haren uit haar hoofd.

mijn armen verkrampen. ik wil haar slaan. ik wil haar zo hard slaan. ik wil met haar pincet alle haren op haar lichaam uittrekken. alle zichtbare en alle onzichtbare waar haar pincet zich aan vergrijpt. haar reepje per reepje ontvellen. ik schrik van mezelf. wat is er aan de hand? waarom ben ik toch zo geïrriteerd?

ik wil dit niet zien. sluit dan maar de ogen. voor even maar. niemand heeft het recht om mij de ogen te sluiten, roep ik tegen mezelf. en als om me te treiteren haalt mijn medereizigster haar make-up spiegeltje uit haar tasje en begint ze, haar hoofd schuin voorover gebogen, haren uit haar kruin te trekken.

ze zouden mensen moeten verbieden om zichzelf te verminken in naam van de schoonheid. schoonheid. wat voor schoonheid. ik betwijfel of ik ooit op haar zou kunnen vallen. de dwangmatigheid waarmee ze zich te lijf gaat maakt haar bovendien nog afstotelijker. maar het zal haar een zorg wezen. ze heeft enkel oog voor zichzelf. en hoe fanatieker ze zich te lijf gaat, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat ze ergens onderweg zichzelf is kwijtgeraakt. hoe ze ook trekt, pulkt, tast, schaaft of epilleert, de dame die ze in gedachten heeft, weigert te verschijnen.

stilaan begint het me te dagen. de dame tegenover me is een zelfmoordterroriste. zo eentje van het soort dat in naam van de denkbeeldige schoonheid terreur pleegt op haar eigen lichaam.
haar hele verschijning gaat gebukt onder haar martelgang. ieder haartje, iedere porie, iedere huidplooi en iedere pigmentvlek, alles staat stijf van de stress of trekt bleek weg wanneer ze in de spiegel kijkt of wanneer ze haar handen op strooptocht stuurt. hoe agressiever en driester ze te werk gaat, hoe groter het slagveld wordt. en hoe verbetener ze opnieuw haar lichaam begint te mismeesteren. en dat allemaal om zich koste wat kost te ontdoen van haar zogenaamde monsterlijkheid. arme, arme vrouw.

anders dan bij de kamikazes met springtuigen op hun lichaam valt zij tergend traag uit elkaar. haar explosie is een verhaal van jaren. haar per haar, huidcel per huidcel, snotkorrel per snotkorrel, stofje per stofje, strooit ze zichzelf de wijde wereld in. tot er niets meer over blijft en haar verdwijning uiteindelijk de mooiste verlossing is die ze de mensheid kan schenken. uitgerukt, weggepulkt, weggestrooid. als god bestaat, dan bewijst deze dame dat hij of zij een ongelooflijke klootzak is.

mijn lust om haar aan haar eigen pijniging te onderwerpen is ondertussen bekoeld. ik begrijp ook waarom ik zo kwaad was. alles aan haar lichaam smeekt om hier een einde aan te maken. die noodkreet negeren doet onmenselijk veel pijn.

we komen aan.

ik maak me klaar om te vluchten van de plaats des onheils. te laat. ze is me voor. ze neemt haar spullen en loopt snel het gangpad door, naar de uitgang, onophoudelijk verder exploderend. wanneer ik even later op het perron sta, is ze verdwenen. ik vraag me af of ze ooit zal zien wat voor een prachtvrouw ze eigenlijk is, voor het te laat is. een prachtvrouw die niemand ooit zal zien zolang ze niet eerst eens liefdevol naar zichzelf kijkt.

5.6.09

splinterpunt

Aan antwoorden ben ik niet besteed.
Ik heb er de vragen niet voor.
Sta me toe om geen excuses te zoeken.

“And it makes me float free, to feel
how small my life must be”
zingt mijn vrouw

terwijl ze zich afvraagt:
hoe gek is het leven eigenlijk?

wij zijn aan elkaar
gewaagd,

als veranderling
zullen wij nooit meer dezelfde zijn

dan blindgangers
afgevuurd in spiegels
met spiegelneuronen
als onvermijdelijk uitwijkmanoeuvre

altijd en overal
gelukkig maar

30.4.09

koninginnedag.

"Wat doet een Nederlandse autobestuurder
als hij oranje ziet? Doorrijden." (*)

Kan iets zo pijnlijk zijn
dat het grappig wordt?
Vraag ik me af terwijl de beelden
voor de zoveelste keer
door mijn hoofd gaan: Man in zwarte auto
rijdt dwars door toeschouwers tijdens
stoet op Koninginnedag.

Van alle wegen
die de wereld je biedt
toch de verkeerde nemen
en daar aankomen
waar niemand thuis hoort.

Mocht je niet beter mogen weten, je zou zweren
dat het kunst was, een onbekend deeltje
per ongeluk ontdekt
de missing link
tussen wat vreugde en verdriet
menselijk maakt.

Blijkt een volksfeest plots een begrafenisstoet
en omgekeerd.

Wat moet je in zo'n geval nog met woorden
als mens
en monster
als alles zo dicht bij elkaar ligt
dat je zou denken

het leven kan niet anders
dan per vergissing

en omgekeerd?

Koninginnedag 2009.

26.4.09

inboorling.

er leeft een tijd tussen de dagen
waar wijzers uurwerk echt geen zin

vergeten een vorm van vragen spreken
enkel nog in tegenzin

alchemie een wetenschap,
basiskennis zonder oefening

filosofie een vorm van zelf
gekozen begoocheling

en twijfel

is de adem
van een dichter
ondanks alles

nog altijd
je oudste inboorling

24.4.09

stickerboek.

plaatjes, als ik ze allemaal verzamel,
moet het kloppen, je verhaal.
maar niet vanavond.

vanavond zwijg je weer
kijk ik naar de nummertjes
ken ze ondertussen uit mijn hoofd
draai dan maar
alle dubbels nog eens om
in mijn hoofd.

mijn besluit staat vast. morgen
ga ik bij de buren horen.
veel valt er waarschijnlijk
niet te ruilen. wat ik te bieden heb
is er te over. wat ik zoek
is schaars. naar men zegt
is er maar één exemplaar
van in de hele wereld.

naar men fluistert, heb ik het al in huis
hoe meer ik zoek
hoe minder ik weet waar

ik heb een boek met plaatjes. als ik ze
allemaal verzamel, moet het kloppen.
mijn verhaal.

krant.

"amerikaanse kranten in coma".

hetzelfde nieuws
iedere dag opnieuw: neen, mevrouw, de toestand
is nog niet verbeterd. ik zal eerlijk zijn,
de kans is klein dat hij ooit nog wakker wordt.
persoonlijk geloof ik niet
dat zijn hand vasthouden, liedjes zingen,
hem door elkaar schudden, verhalen voorlezen
of geurkaarsen branden naast zijn bed
daar iets aan zal veranderen.
ik raad u aan om niet te veel te hopen.
u moet verder, of u dat nu wil of niet.
de toestand zal alleen maar verslechteren.
bidden tot god? toch beter niet.
dit is geen kwestie van geloven, dit is
wetenschap. feitelijk is hij al dood
overleden voor hij gestorven is,
hij was ons - om het zo te zeggen -
te snel af. ik begrijp uw verdriet
de wereld draait door
maar dit nieuws verandert niet.

22.4.09

len. te

ik bewaar de woorden in mijn mond.
zolang het winter is zijn ze daar veilig
voor de vorst.
geleerd als ik ben
laat ik me niet verleiden door de eerste lentezon
nog teveel mist in je lach,
's nachts koelt het
veel te rap af
om goed te zijn.
spreken is iets
waar je jaren over moet doen
om te begrijpen
dat wat je zegt
maar één seizoen
de kans krijgt
om voluit te bloeien
schrijf ik en leg
m'n oor te luister
aan je adem
die langzaam warmer wordt
morgen kom ik buiten
een perk vol bloemen
begint met twee sprietjes

"jij en ik"

20.4.09

vrij.

"Op een dag zal ik vrij zijn
toch?" zei ik
met net genoeg stelligheid
om de stelling zelf
overeind te houden.

Sinds gisteren hangt er een bordje
Verboden de werf te betreden
en kan het verval van de gevel
achter de schermen
rustig zijn gang gaan

onder het mom van
er wordt opgeknapt.

dat.

dat. en dat dan
groter willen maken
tegen beter weten in.
dat inzien omdat
en er bij nader inzicht
niets meer over kunnen schrijven
dan dat
is poëzie.

24.2.09

Derde Brief aan Maarten Inghels: netwerkstoringen

verbind met ander netwerk

ze heeft zonder het te weten een valstrik gelegd. maar wat zou het? vandaag is alles zo www als het maar zijn kan. kan het zijn? kan het maar zijn? vraag je je af, terwijl je god weet welke gedachten even probeert te bannen, je je blik ten slotte toch vol verwachting ten hemel richt, eeuwig blauw scherm, zelfs daar geen foutmelding te bespeuren.

een kraai pixelt je gedachten. je knippert met je ogen. als een mens alle milliseconden knippering optelt, hoeveel dagen van zijn leven is hij dan blind? je sluit je ogen, voorgoed, maar dan in 5 minuten, probeert rebels zijn op de tast even uit, zo traag dat de wereld haast vanzelf in beweging komt.

ho maar, bijna trein gemist. er galopperen drie paarden voorbij. de wind legt de zweep op het grasveld, mustang gevangen tussen prikkeldraad, de ruiter blaast zich te pletter. het staal wil van geen wijken weten, buigt even mee bij impact, scheurt vlaag na vlaag aan stukken. de laatste restjes van een muur zijn nooit te slopen. dat inzicht werd in gesponnen staaldraad vereeuwigd, bedenk je nu. het houdt geen steek. wat zou het?

het moet dan maar. je telt de huizen die je achterlaat aan één kant van de trein, minuten in een dagboek dat na het schrijven een eigen leven gaat leiden. een oud besje tuurt terug tussen de sanseveria’s op haar vensterbank. inkadermoment, het raam als passe-partout. je bent overal en nergens. je blijft for the time being tellen. aan honderd gebeurt er iets speciaals. hoekhuis met café: ’t spoor. is dit alles wat er is? hardop, je woorden hotsen en botsen als een dronkelap door de coupé tot ze in het gangpad verdwijnen.

alleen een slaapje kan je nog redden. met de ogen dicht en beide voeten op de grond, of wat daar nog van overschiet in een voortdenderende trein. je weet waar je heen gaat. je hebt een doel in je leven. tot 16u55. daarna verandert alles. voor je ’t goed en wel beseft ben je aangekomen. wat kippen op een stok in de restanten van een weide met een doorgeroeste tractor. vergeten herinneringen aan het platteland, ontsnapt aan de vraatzucht van de stad. oases in woestijnen zijn zo goed als dood als niemand ze bewondert. in de verte galmt het verdikt. eindstation. uitstappen.

je bent buiten. altijd aan de rand. je spreidt opnieuw je armen, in de hoop, leunt lichtjes voorover. tot de ketting strak trekt. daar aan de overkant van het stationsplein is een kruispunt met lichten en pijlen. dat is een begin. iemand fietst voorbij. haar zou je willen zijn op haar rode fiets, met haar witte laarsjes, haar engelenhaar en parelmoeren huid waarin hij straks met zijn stoppelbaard onuitwisbare krasjes trekt. je rent haar achterna, het kruispunt op. iemand zet het licht op rood. de timing is perfect maar helaas.

het stuk is ten einde

net voor je met je gezicht tegen de tegels smakt. tot dan.
zat alles goed

(terwijl je valt) een koorddanser, je bent een koorddanser. hou vol. er komt een dag. er komt een afgrond. er komt een moment dat het de moeite wordt.
om te vallen.

u hebt weer verbinding met uw favoriete draadloze netwerk

Dit gedicht verscheen eerder in Dighter.

19.2.09

Brief aan Maarten Inghels (re: brief 09/02)

Fragment van een onmogelijk rondo met drie puntjes in het midden

Zou de aarde weten wat ze wil? En
zo ze zou weten wat ze wil,
zou ze dan nog plichtsbewust
om haar as draaien?
Zou ze de zwaartekracht vaarwel zeggen
en uitdijen tot aan het einde van het heelal? Of
zou ze naar de zon toe suizen
om haar uit het middelpunt van de belangstelling te knikkeren?

Zou de schurftige albinohond weten wat hij wil?
En zo hij zou weten wat hij wil,
zou hij je dan nog plichtsbewust aankijken
terwijl je hem aanspreekt? Of
zou hij zijn tanden ontbloten en onbedaarlijk beginnen te lachen
om je dan de staart toe te keren, huiswaarts te gaan
en er een stukje Mozart te spelen?
op een historisch verantwoord klavierinstrument.

...

Zou jij weten wat je wil?
En zo je zou weten wat je wil,
zou je dan nog dichten?

Splinters van een orgelpunt

Aan antwoorden ben ik niet besteed.
Ik heb er de vragen niet voor.
Sta me toe om geen excuses te zoeken.
“And it makes me float free,
to feel how small my life must be”

zingt mijn vrouw, nadat ze zich afvraagt:
hoe gek is het leven eigenlijk?
Als veranderling zijn wij
aan elkaar gewaagd, zullen wij nooit dezelfde zijn.
Blindgangers afgevuurd in spiegels.
Met spiegelneuronen als onvermijdelijk uitwijkmanoeuvre.
Gelukkig maar.

9.2.09

Brief van Maarten Inghels (re: brief 05/02)

Deze brief, dit gedicht, is het antwoord van Maarten Inghels op de brief die ik op 05/02 aan Maarten schreef.

Arne, ik zou willen weten:
wat maakt het de moeite waard
om dit leven te blijven leiden
te volharden in boosheid en
door te blijven schrijven; brieven
opstellen, gedichten waarin je
jezelf aanprijst en de ander in herkent.
Je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat
we al geruime tijd problemen hebben
met ons hart, toch mixen we de absint
met champagne, de ontploffing onder
mijn huid maakt van de zon een
persoonlijke vriend.

Arne, ik zou willen weten:
wat maakt het de moeite waard,
want vandaag sprak ik met een albino-
hond op straat, zijn schurftige rug stond
stijf van een lsd-trip, de kussens op zijn
voetzolen lagen open van de spuiten vol
geluk, maar iets zinnigs zeggen deed-ie
niet. De dokter zegt dat ik leef in
de (n)onwerkelijkheid, ik zeg dat
ik wacht op de uitkering van mijn liefde.
In afwachting bekijk ik schreeuwerige
powerpoint-presentaties, lees ik mijn
wratten als braille, etcetera. Al eeuwen
wacht ik op de stilte, de vlakke grond,
misschien zijn we gewoon mensen.

Arne, ik zou willen weten:
wat maakt het de moeite waard ,
het liefst zou ik willen dat de groene fee
me mee naar huis neemt, niet dat ze
zegt: ik wil dat je me op de motor-
kap pakt. Arne, mijn droom is
onmogelijk en nefast, we zijn de bakkers,
de slagers, de terroristen van de vitaliteit,
maar misschien ben ik nog het meest de hond.
Ik geniet van de echo van het systeem, de orde,
de waanzin van de structuur waarin ik
de schoonheid ken, de lijnen, de regels.
Ik volhard en blijf schrijven; brieven
opstellen, gedichten waarin je de wereld
herschrijft, vertaalt, ... etcetera

Naar: H. Lodeizen.

5.2.09

Brief aan Maarten Inghels

Ik dicht niet voor de poëzie. Ik dicht voor het leven.Weet je waar het dichterscircus me aan doet denken? Aan veredelde zwaardvechters. Mensen die hun kunst beoefenen in tournamenten waarvan niemand nog weet waar ze voor dienen. Tijdens een oorlog valt er geen land met ze te bezeilen. Ze zouden geen slagveld meer herkennen mochten ze er één zien. Dichters. Het zouden de levenskunstenaars moeten zijn, de bakkers, de slagers, de guerillero's van de joie de vivre, de terroristen van de vitaliteit.

Het dichterscircus. Vormfetisjisten die nauwelijks nog goeiedag kunnen zeggen en het nog menen ook. Die weten wat het betekent, zonder het te verfoeien als platvloers, populistisch en oppervlakkig. Mensen die het spreken, het oreren, het ratelen en het reutelen tot een kunst om de kunst hebben verheven, waardoor ze nauwelijks nog de vragen horen om zich heen.

Iedere ontmoeting Maarten, is voor mij een vraag. Iedere ontmoeting is de kans op een ontdekking. Iedere mens is geboren met een vraag voor het leven. En allen trachten we op onze manier uitdrukking te geven aan die vraag. En dus praten we. Tot we een luisterend oor vinden. Geen sympathie, geen empathie, maar een Ander die ons Eigen laat zijn. Iemand die luistert zodat we plotseling onszelf horen. En we eindelijk dé vraag kunnen stellen die zo diep in ons verborgen ligt.

Pas dan, pas dan kan een dichter spreken.

Misschien zijn we geen dichters Maarten. Misschien zijn we gewoon mensen en waren dichters vroeger de grote luisteraars die hun kunst tot een kunstje herleid hebben, een trukendoos, een toverdans met toverwoorden, mystiek in een stuk of wat gedichten. Ik beken Maarten, ik heb het ook gedaan. Straffer nog, ik merk nog iedere dag hoe veel ik nog te leren heb.

Gisteren las ik iets wat m'n leven verandert. Dat het mooiste in een gesprek is dat de ander stilvalt. Omdat ze eindelijk gezegd heeft wat er te zeggen valt. Het deed me beseffen hoeveel er nog te ontdekken valt in een wereld die nauwelijks stiltes verdraagt, en dan bedoel ik echte stiltes, geen stiltes van angst, geen nazinderende echo van bevelen, geen huiverende ingehouden huilen van schuldbesef, geen schaamte, maar stilte zoals je die vindt wanneer je met je geliefde aan het einde van een dag vol heerlijke toevalligheden aan het einde van je wandeling aan een veld komt - het is augustus, er steekt een bries op achter je - blaast een lok van achter haar oor, en je samen naar de einder kijkt, zon zijdelings op haar gezicht, daar. Die stilte.

Als een dichter iets voor de wereld kan doen, dan is het haar te laten zien hoe ze is op een manier die respect en aanvaarding mogelijk maakt. Als ik een dichter wil zijn, dan liefst een dichter die het oordeel uitstelt tot dat het niet meer hoeft en men het vergeten is. Als ik een dichter wil zijn, dan liefst één die verdwijnt als z'n taak volbracht is, in een buschauffeur die een dame groet op de nachtbus, een praatje maakt en luistert naar haar verhaal - ze is ... - of een kleuter die tijdens het eten even de hand van haar oom aanraakt, uit liefde, de dingen die Mark groet, je kent ze wel, iemand die het leven leidt zonder het voortdurend te willen claimen.

Het is een diep verlangen. En ik heb nog een hele weg te gaan.

Grappig dat je marketing noemt. Laat het nu net daar zijn dat ik mensen heb ontmoet die me echte mensenliefde hebben getoond. Marketing draait om mensen en vooral: hoe verspreid je waardevolle ideeën zodat ze bij de mensen terecht komen die ze het meeste nodig hebben. Seth Godin - what's in a name - is zo iemand. Wat Barrack Obama zegt, is een verhaal dat hij ook al een tijdje uitdraagt.

Marketing. Poëzie. Het zijn slechts labels om de richting aan te geven waarin mensen op zoek gaan naar wat hen drijft. Een tijdje geleden heb ik labels afgezworen. Ik kon me niet vinden, er waren geen kleren die me pasten. Copywriter, branddigger, storyteller, marketeer, dichter, broer, minnaar, geliefde, klootzak, ... Het is zo gemakkelijk om je erin te verliezen. Net zo gemakkelijk om te zeggen dat iets marketing is en het dan te verfoeien. Ik neem het je niet kwalijk. Verre van. Ik deel je boosheid, je ongenoegen over het soort marketing dat je verfoeit. Maar het is nooit de marketing, het is nooit de poëzie, het zijn nooit de copywriters, de politici, de soldaten, de moslims, de joden, de idioten, de intellectuelen, de noem-maar-op-als-je-kunt.

Systemen zijn echo's van mensen en macht die vaak in stand worden gehouden omwille van het systeem, de herkenbaarheid, de orde. Het zijn machinaties, machines die soms eindeloos verfijnd worden tot we niet meer weten waarvoor ze dienen. En heel vaak worden we gedwongen om in die machinaties te blijven leven. Waarom? God mag het weten. Omdat het hoort? Omdat het voortvloeit uit wat gisteren was en omdat het ons leidt naar wat morgen zal zijn? Omdat we niet anders kunnen? Wat is er gebeurd met wat we 'anders willen'? Aan ieder systeem lag ooit een wil ten grondslag.

Als je het poëziegebeuren beschrijft dat je gisteren hebt meegemaakt, kan ik het niet helpen om aan dat soort systemen te denken.

Maar liever dan ze te verfoeien - wat ik gaarne doe - zal ik ze toch altijd liever als een kans zien om er een onvervuld verlangen in te zien, van honderden mensen die zich elk op hun manier willen uitdrukken, maar er nog altijd niet in slagen. Die zichzelf willen zijn, maar het niet kunnen, niet durven.

Ik wil, als dichter niets liever, dan dat ze zichzelf gelukkig maken. Ik wil hen het vertrouwen en het plezier geven om zelf te ontdekken hoe dat kan, hoe dat gaat.

Wat ik daarvoor moet doen? Het eerst zelf ontdekken.

4.2.09

Revision: There's something rotten in the state of poetry

There’s something rotten in the state of poetry.

Er zijn dichters die de wereld niet eens de kans geven om vragen te stellen.
Het zijn dichters die zich bekwaamd hebben in de kunst van het antwoorden nog voor jij of ik zich kunnen afvragen: “Wat bedoel je hier nu mee?”
Dan zeggen zij: dit gedicht behoeft geen uitleg, zonder aanhalingstekens, want liefst geen commentaar meer.
En dan stopt het gesprek en hoe hard ik ook luister naar hun antwoorden, het zijn enkel vragen die je hoort, vragen die je niet meer stellen mag.
Dan kijken zij triomfantelijk in het rond, zij zijn meestal niet zo groot en staan graag op een podium om dan met veel voldoening - zo lijkt het toch - het volkje te overschouwen waarvan zij zich losgerukt hebben.
Dan kijken zij dus triomfantelijk in het rond en horen wat lijkt op stilte als bevestiging van hun gelijk.
Een lelijke vergissing, zowaar, want als angst een soortelijk gewicht zou hebben en een viscositeit die groter is dan,
nou, het getal dat je nodig hebt om een stof vloeibaar te noemen, dan zou de dichter watertrappelend naar het plafond staren op zoek naar een uitweg.
“Ik heb jullie met verstomming geslagen.” Haha!
Zulke dichters, zij lijden aan een milde vorm van dislectie.
Zij verwarren bewondering met verwondering.
Hun verzen zijn geen blijk van mededogen, geen zachte strelingen op de huid van een geliefde als om in iedere beweging van haar lichaam op zoek te gaan naar wat er in haar leeft en je te verliezen in alles waarvan je nog niet eens kon vermoeden dat je er haar voor kon liefhebben.
Als om in het uiterste tipje van je opperhuid zo aanraking te herleiden tot bijna niets, en dat dan voelen. Wat heet aanwezig zijn.
Hun verzen zijn evenwichtsoefeningen op een touw zonder vangnet in een circus waarvan de tent gesloten is en de toeschouwers geen blik op de wereld wordt gegund.
Grijnzende clowns, zij hebben lachkramp, fluisteren in onze oren: “Voelt gij nu hoe vreemd het leven is? Hoe onbegrijpelijk? Hoe betekenisloos?”
Op hun wangen prijkt een traan die maar niet biggelen wil.
Kunst als het summum van kunstjes.
Als je de wereld maar klein genoeg maakt, wordt alles vanzelf groots.
En de circusdirecteur geniet. Alles verloopt naar wens.
Ziedaar, de dichters.
Aan hen werd nooit iets gevraagd. Zonde van de genialiteit.
Het ligt niet in hun aard om lang te wachten, zij zijn geboren om te spreken. Zelfkennis is het begin van de wijsheid.
En wie niet horen wil, moet dan maar voelen. De vrijheid als marsbevel.
We kunnen het alleen samen. Samen zijn we sterk. Yes we can, zolang je maar doet wat ik je zeg. Hou van me en je zal gezond worden.
En stel vooral niet teveel vragen.
Laat dat maar aan mij over.
Je vindt hen op het einde van hun leven in een bunker, gifpil in de ene en met één kogel geladen pistool in de andere hand, met een vrouw en kinderen en vrienden die niet weten wie ze zijn.
Maar het is goed om bij hen te zijn.
Meermannen en -vrouwen, het water aan de lippen, ze trappelen, doodsbang om te verdrinken, want plots weer échte mensen.
En wanneer het bolwerk valt en het leven hun betonnen ei openbreekt en zij kopje onder gaan hebben zij al verkozen te sterven en te verdwijnen.
Aan dit leven hebben zij geen deel. (dat is een bevel)
Na hen is er geen verbeelding meer. Men kan zich het leven na hen niet meer voorstellen.

Vragend staan we bij hun wezenloze lichamen. Of wat ervan overblijft.

Hoe heeft dit ooit kunnen gebeuren?

Iemand prevelt iets.

“Da’s ‘t leven. Ik weet het zeker.”

Hier gaan we weer.

30.1.09

There's something rotten in the state of poetry

There’s something rotten in the state of poetry.

Er zijn dichters die de wereld niet eens de kans geven om vragen te stellen. Het zijn dichters die zich bekwaamd hebben in de kunst van het antwoorden nog voor jij of ik zich kunnen afvragen: “Wat bedoel je hier nu mee?” Of “Ik ben boos.” Dan zeggen zij: dit gedicht behoeft geen uitleg, zonder aanhalingstekens, want liefst geen commentaar meer. En dan stopt het gesprek en hoe hard ik ook luister naar hun antwoorden, het zijn enkel vragen die ik hoor en die ik hen niet meer mag stellen.
Dan kijken zij triomfantelijk in het rond, zij zijn meestal niet zo groot en staan graag op een podium om dan met veel voldoening - zo lijkt het toch - het volkje te overschouwen waar zij zich uit losgerukt hebben.
Dan kijken zij dus triomfantelijk in het rond en horen stilte als bevestiging van hun gelijk. Een lelijke vergissing, zowaar, want als angst een soortelijk gewicht zou hebben en een viscositeit die groter is dan, nou, het getal dat je nodig hebt om een stof vloeibaar te noemen, dan zou de dichter watertrappelend naar het plafond staren op zoek naar een uitweg.
“Ik heb jullie met verstomming geslagen.”
Leef in stilte en in stof en stel u vooral geen vragen. Alsof Michelangelo de Florentijnen het zwijgen wilde opleggen.
Zulke dichters lijden aan een milde vorm van dislectie. Zij verwarren bewondering met verwondering. Hun verzen zijn geen inlevende vragen, geen zachte strelingen op de huid van een geliefde als om in iedere beweging van haar lichaam op zoek te gaan naar wat er in haar leeft en je te verliezen in alles waarvan je nog niet eens kon vermoeden dat je er haar voor kon liefhebben. Als om in de kleinste tip van je opperhuid zo aanraking te herleiden tot bijna niets, en dat dan voelen. Wat heet aanwezeig zijn.
Hùn verzen zijn bevelen, evenwichtsoefeningen op een touw zonder vangnet in een circus waarvan de tent gesloten is en de toeschouwers geen blik op de wereld wordt gegund. Grijnzende clowns, zij hebben lachkramp, fluisteren in onze oren: “Voelt gij nu hoe vreemd het leven is? Hoe onbegrijpelijk? Hoe betekenisloos?” En op hun wangen prijkt een traan die maar niet biggelen wil. Kunst als het summum van kunstjes. Als je de wereld maar klein genoeg maakt, wordt alles vanzelf groots.
En de circusdirecteur, hij geniet. Alles verloopt naar wens.
Ziedaar, de dichters. Aan hen werd nooit iets gevraagd. Zonde van de genialiteit. Het ligt niet in hun aard om lang te wachten, zij zijn geboren om te spreken. Zelfkennis is het begin van de wijsheid. En wie niet horen wil, moet dan maar voelen. De vrijheid als marsbevel. We kunnen het alleen samen. Samen zijn we sterk. Yes we can, zolang je maar doet wat ik je zeg. Hou van me en je zal gezond worden. En stel vooral niet teveel vragen. Laat dat maar aan mij over.
Je vindt deze dichters op het einde van hun leven in een bunker, met een gifpil en een kogel en een vrouw en vrienden die niet weten wie ze zijn. Maar het is goed om bij je te zijn. Na hen is er geen verbeelding meer. Men kan zich het leven na hen niet meer voorstellen.
De meermannen en -vrouwen, het water aan de lippen, zie ze trappelen, doodsbang om te verdrinken, want échte mensen.
En wanneer het bolwerk valt en het leven hun betonnen ei openbreekt hebben zij al lang verkozen te sterven en te verdwijnen. Aan dit leven hebben zij geen deel.

Vragend staan we bij hun wezenloze lichamen. Of wat ervan overblijft.

Hoe heeft dit ooit kunnen gebeuren?

Iemand prevelt iets.

“Da’s ‘t leven. Ik weet het zeker.”
Hier gaan we weer.

29.1.09

Gedichtendag: babelle

Babelle

Ik prevel wat woorden voor me uit, bouw op goed geluk een babel met de speelkaarten die ik al jaren op zak heb. Mijn spel is in de loop der jaren beduidend sterker geworden dan de kaarten zelf. Die plooien onder het geringste gewicht. Kom zelden hoger dan een tweede verdiep.
Gooi dan maar alle kaarten in één keer op tafel. Chaos troef. Zonder het juiste spel zijn de pionnen waardeloos. Dit moet een spel zijn voor verliezers. Ik geniet van het inzicht, beeld me in dat het strategisch overzicht me een voordeel geeft op de andere spelers. De beste loser dat ben ik.
Ingrijpen is overbodig. Ingrijpen is onmacht. Omdat je niet kunt vatten dat begrijpen niet aan de orde is. Je verzint een stuk of wat regels, verdeelt goed geluk over een aantal medepelers en verrijkt je met andermans verlies om na afloop weer als vanouds god weet waar in het leven te staan.
Deelnemen is belangrijker dan winnen. Zal wel. Het leven gaat nergens anders over. Net even anders dan het spel, dat nergens over gaat.
Maar om te antwoorden op je vraag. Ik weet niet waar je het over hebt. Ik heb er de woorden niet voor. Dus zeg jij het maar. Gooi het op tafel. En als je niet weet wat gezegd, laat dan maar. Zegt voor mij al genoeg.

kust haar. prevelt: ik hou van jou
voor wat jij van mij al hebt.

6.1.09

Nieuw werk in De Brakke Hond


De Brakke Hond heeft een nieuw nummer uit over poëzie en internet. Op vraag van Herlinda Vekemans en Alain Delmotte, de samenstellers van het nummer, schreef ik een essay over het onderwerp.

In Het onvertelbare leven ga ik op zoek naar de waarde van poëzie in de huidige kenniscultuur.

Aanvullend vind je ook nog een prozaïsch gedicht dat eerder al verschenen is op De Brakke Log.

Meer nieuws: ik stop bij het Venijnig Gebroed. Dat heeft niets met het Venijnig Gebroed te maken - waar trouwens heel wat fijns te gebeuren staat. Ik ga gewoon andere dingen doen, dingen die ik al veel langer had moeten doen en waar ik tot nu toe geen tijd voor vrij gemaakt heb. Keuzes maken dus, daar draait het om. Of er nog veel poëzie komt, weet ik niet. Voorlopig is de liefde voor het genre wat bekoeld. Maar als ik Rilke mag geloven zal snel blijken of ik eraan kan ontkomen of niet. :-)

Tot binnenkort.

Arne.