14.10.21

12.10.21

Dura lux, sed lux

Hetzelfde licht
Dat jou en mij
Aanraakt
En van de weeromstuit
Rechtsomkeer maakt
Naar ons netvlies
Doet jou in donkerbruin
En mij in heel lichtbruin
Verschijnen

De kleuren
Van onze huid
En ons haar
Zouden zo verdwijnen
Wanneer het licht
Waarin wij zwemmen
Zou opdrogen

We zouden spartelend
Op het kleurloze
Naar adem happen
En op de tast
Toch weer verder gaan
De ogen van onze kinderen
Zouden van hun werk ontdaan
Ophouden te bestaan

Verbeelding zou vervagen
En stilaan in verklanking
Of iets anders zinneprikkelend
Overgaan.

We zouden merken dat er
Andere onderscheiden zouden bestaan
Die ons verblind
Als we waren
Al die tijd
Waren ontgaan
Mensen met een andere klankgeur
Een andere of huidsmaak
Of ademtoon
Of verdwijningsvorm
Het zou ineens bestaan

En we zouden heel even
De wanhoop nabij zijn
Omdat we niet langer weten
Welk verschil er toe doet
En welk niet
We zouden op goed geluk
En soms ongelukkig
Maar ten allen tijde blind
Geloven
Op de tast
Ontdekken welke weg we moeten gaan
Wie of wat te vertrouwen
En te weten
Wat het betekent
Om te bestaan.

9.9.21

Zwaartekracht


Lang voor we boven water kwamen

Was alles donker.

En omdat licht en lucht ons vreemd waren

Was alles voelen.


Van vinnen, vingers of tenen

Was nog geen sprake.

We werden, zelf

Louter onbegrip, volkomen

door de wereld begrepen.


We waren heel en al 

Sprakeloos.


Met het opklaren van de hemel

En het klaren van het water

Begon het happen

Naar adem.


We leerden wat verblind zijn was

En keerden na jaren het diepe

Duister de rug toe.

Zeiden de vissen vaarwel

Veroverden het land.


Leerden van vechten

En vluchten en dansen

En vrijen en eenzaamheid.


We legden wegen aan

En brachten in kaart

Hoe verdwaald

We in wezen

Wel waren.


We achten ons ver

Verwijderd van de diepzee

Daar op de bodem

Van een onbestemd heelal.


We gaven wat naamloos was

Een naam, en met die naam

Betekenis, in weerwil van

De stilte die pijn deed

Aan onze oren.


Het liefst van al wilden we

Dit alles ontstijgen

Met goden, geloof, genot, gekte

En genialiteit, het zou ons lukken

Daar te komen,

Het had iets voorbestemds

Althans, zo had één van ons verzonnen.


Lang voor we boven water kwamen

Was alles donker.

En omdat licht en lucht

Ons vreemd waren

Was alles voelen.


Van vinnen, vingers of tenen

Was nog geen sprake.

We werden, zelf

Louter onbegrip, volkomen

door de wereld begrepen.


We waren heel en al 

Sprakeloos.

7.9.21

De dood van de tragedie

Over gewone dingen

Valt met zekerheid

Niets bijzonders te vertellen.


De hele inboedel van een huis

Is het noemen niet waard, noch

Haar tred of gewaad, de tooi

Van haar haar, een uitdrukking

Op haar gelaat, een enkel gebaar

Niets van wat ze zegt


Tenzij

(En enkel dan)

Wanneer

Al is het maar

Een fractie

Vermoeden doet

Dat wat zich aandient

Net iets te hard

Zijn best doet

Om op het normale te lijken.


Dan, dan heeft hij

Werkelijk iets

Om naar om te kijken.


De gek

Is het geluk

Van de schrijver.

6.9.21

QED bis

Dit hallo
Voelt als afscheid.

Het moeilijkste blijft toch
Eraan beginnen.

Eens daar voorbij
Wijst de rest zich vanzelf wel uit.

Zoals in de meeste gevallen
Er was eens

Steevast uitliep
Op nog lang en gelukkig leven.