30.11.07

Stuntelen met stijl

“Trust me – I know what I’m doing.”(Sledge Hammer)

1.
“Media – en vooral communicatiemedia- zijn niet alleen maar ‘extensies van de mens’, maar beschikken over een bijna heilig vermogen tot het kwalitatief veranderen van de menselijke relaties. Allerlei alledaagse beperkingen, vooral op het vlak van communicatie met de medemens, moeten worden verlicht door technologische apparaten met de belofte van een naadloze en rechtstreekse communicatie. Omdat het echter toevoegingen zijn aan communicatie, zijn deze apparaten, net als menselijke relaties zelf, kwetsbaar en broos, ontoereikend, en slagen ze er niet in om voor elkaar te krijgen wat de makers en gebruikers voor ogen stond.” Eric Kluitenberg, “Tweede inleiding op een Archeologie van Imaginaire Media

2.
Je neemt een boodschap. Je verpakt die in een doosje. En met je setje gesteriliseerde communicatie-instrumenten plant je de boodschap vakkundig in het hoofd van je ontvanger. Een klassiek beeld van commerciële communicatie. Het is als met sprookjes: er was eens … en ze leefden nog lang en gelukkig, per definitie veroordeeld tot verleden tijd. Nooit ‘nu’, nooit zoals het had moeten zijn. Er was eens klassieke commerciële communicatie. Er zijn nog altijd sprookjes. Dat zegt genoeg.

3.
Nieuwe benadering: communicatie moet niets boodschapperigs overbrengen. Communicatie moet in beweging zetten. Hoe dan? Als een biljartkeu de witte bal, en de witte bal de rest van de ballen? En die ballen het spel, het spel de rest van de avond, de avond het begin van een relatie, de relatie het begin van een leven, het leven een begin van het einde van deze planeet? Het doet aan Tsjernobyl denken. Alsof je een regelstaaf te ver uit de splijtstof trekt en je de boel niet meer kunt stoppen. ("De gevolgen zijn niet te overzien." Anonieme reclameman/vrouw antwoordt: "Gelukkig maar.")

4.
Professionele communicatie zet gecontroleerd in beweging. Of ze zou dat moeten doen. Vakkundig geknetter met emoties. Statische elektriciteit voor specialisten. Vlooiencircus in de hersenen. Komt dat zien, komt dat zien. Humor, dat trucje lukt altijd. Even lachen kan nooit kwaad. Dat gaat vroeg of laat wel over.

5.
Te veel elektriciteit tegenwoordig. Continue hoogspanning. Gemopper als de zekeringenkast springt, het net overbelast raakt. Communicatie: we merken het pas als het er niet meer is. En als het er niet is, is het vervelend.

6.
Aanraken, fysiek, emotioneel of mentaal. Of niet. En of je omkijkt. En als je omkijkt, wie of wat zie je dan?

Niet veel. Een beeld, wat kleuren, slogans, een gimmick, brand equity aka een rommeltje in een keukenkast, stof en rotzooi die aan een velcro bal kleven, en daarin ergens een merk, een product, de sporen van een verhaal. Een mens? Een mens. Nagenoeg, nee, helemaal onzichtbaar. Media als masker, media als mode, media als make-up. Media als een voorspelling die zichzelf waarmaakt. Media als horoscoop.

7.
Professionele communicatie: met media de media onzichtbaar maken. Scotty beamen voor gevorderden. Zonder beamer.

8.
Met taal zeggen dat taal niet deugt. Of met woorden diezelfde woorden het zwijgen opleggen. En ze voor zich laten spreken. Was dat niet iets voor dichters? Taal is van iedereen. Dichters doen het met sprekend gemak. Of beter: ze doen alsof ze het doen met sprekend gemak.

9.
“Als je bereid bent om te mislukken, is het lukken indrukwekkender.” Dichterspraat.

10.
Professionele communicatie: in gedachten bij elkaar zijn. Zonder nadenken. Mislukken. En het (h)eerlijk vinden. Een moment op elkaar gelijken. “So in order to succeed from your failure, you have to think of your failed situation as a good place to start from.” Paul Arden. Gestuntel als in een Buster Keaton-film. Te toevallig. Grotesk, maar oprecht. Een seconde de wereld verbazen. Net stilte genoeg om het te vragen.

“Waar gaan we heen?" Your place or mine?

(World kicks in)

Jij mag het zeggen.

via: thebigpicture.be

20.11.07

aforisme

Wiskunde is ook maar een aangeleerd kunstje, niet?

18.11.07

Yves Leterme antwoordt

Vorige week schreef ik een open brief aan Yves Leterme om aandacht te vragen voor de armen in België. Door stijgende grondstofprijzen dreigen zij een erg barre winter tegemoet te gaan. Nu Brussel-Halle-Vilvoorde en alle andere communautaire heisa zo hoog op de agenda staan, lijkt het net nu alsof de echte problemen van de bevolking genegeerd worden. Perceptie misschien, maar de angst die ze inboezemt, de zorgen die die perceptie met zich meebrengt, zijn er niet minder om.

Ik heb de brief aan de formateur bezorgd. Hij heeft me gisteren het volgende antwoord gestuurd:


Geachte heer Schoenvuur,

Dank voor uw mail.

Het “anderhalf miljoen armen” waar U het over heeft is het aandeel van de Belgische bevolking (14,8 %) dat een verhoogd armoederisico loopt doordat het onder een bepaalde inkomensdrempel valt (nl. 60 % van het mediaan beschikbaar inkomen op individueel niveau). Dit is dus een relatieve definitie van armoede die verwijst naar de inkomens situatie van andere leden van de maatschappij.

Dit is niet hetzelfde als een absolute definitie die uitgaat van onveranderlijke basisbehoeften van mensen.

Dit neemt uiteraard niet weg dat de strijd tegen de armoede een belangrijk beleidspunt moet zijn voor elke regering.

De armoedeproblematiek is juist een van de redenen waarom tijdens de regeringsonderhandelingen voorstelen ter tafel liggen om bepaalde uitkeringen welvaartsvast te maken. Daarnaast is de beste bescherming tegen het armoederisico nog steeds dat mensen een job vinden die hen een inkomen verschaft.

Het geld van de brandstoftaksen komt inderdaad in de schatkist terecht. Van daaruit gaat er ook een groot bedrag naar de sociale zekerheid die o.m. uitkeringen betaalt.

Dat de staat alleen dient om de opgehaalde belastingmiddelen tot bij andere mensen te brengen is wat kort door de bocht.

Deze middelen dienen om de overheidstaken in hun globaliteit te financieren. Daarin zitten uiteraard overdrachten aan particulieren maar ook andere taken zoals veiligheid -justitie en politie-, openbaar vervoer, financiering van de gezondheidszorg, ontwikkelingssamenwerking, enz.

De wens om deze samenleving een beetje menselijker, warmer te maken, om eerlijkheid, normen en waarden voorop te stellen, die deel ik met U. Dat is wat mij in de politiek bracht en wat mij drijft.

Laten wij er samen aan werken.

Met vriendelijke groeten,

Yves Leterme

9.11.07

696969

6,6,6,

het maakt niets uit.

tegenover de duisternis de omlijsting de inlijsting
de lijsting de terughoudendheid de vingers de vormvastheid de chronologie
van de chaos –(de vormvastheid)— de tegenstanders van de chronologie
van de chaos de afwijking, het maakt

niets uit.

de blindingsdrang het toevalstreffen met sterfstenen omdat groeistenen niet bestaan
in iedere worp een schreeuw van onvermogen de opblaasballon ’t is pompen en verzuipen
klaargebalgd voor een fluttertrip van de hemel naar de sahel in de naam van de vader
en de moeder en zijn eigen geest adem

en ave

wees
gegroet

jij leidt aan staar jij lijdt aan staar jij leit je flintert met je ogen schelt het donker
tot je licht ziet pelt en pelt en pelt naar waarheid schreit de ui leeg beft een tepel
lepelt met mannen vrouwen altijd naastenliefde zoekt de wingang vindt de
exitpolis stopt het gat – stopt het gat? – ontkurkt de wonde – opgewonde –

je bent opgelucht zwaar ademloos hoe je zonder leven de rest voelt drukken
onevengewichtig oversizede woordkeuze – de ingrijp al lang verloren, je wendt
jezelf aan hoe je dat doet is me een raadsel ’t is weer eens iets anders dan

je went aan jezelf

INTERMISSION

Vidor – het was in de thuisbasis van de KKK dat ik m’n bril afdeed, te veel j-o-o-d
zo dacht ik. een agent doet me stoppen, vraagt of ik in New York woon. ik woon in New York.
of het daar wel koosjer is? er gingen lichtjes flikkeren – ja koosjer was het daar wel. dat ik
wel van koosjer hield, hij kon het zien.

(errol morris, zonder bril, zonder camera
bijna naar waarheid, echt, niet te schatten)

EXTERMISSION

aan negenenzestig is zes een kommaneuker

TERMISSION

je kunt zien dat je gelooft
je kwam je zag en je zwom dat het een lieve lust was – iemand
gaf je een brevet, tien minuten watertrappen – farce pro toto, quod dilettantum est.

we liegen.

er zijn goden onder ons.
we hebben ons met blindheid geslagen.
kijk maar.

zie je al iets?

kijk naar beneden.
tussen je benen.
daar begint het.

hef je blik.
eerst de aarde, daarna de vloedlijn, dan de horizon, sla een brug

over de hemel terug naar af.

je bent een halfcirkel verdwaald op de straal.

een tweegeslacht daarna geslacht daarna bedacht en dan vergeten
uit liefde en voor de toekomst blind gemaakt
aan deze zijde en aan gene zijde, we zijn een lijn

die zichzelf verplicht ontaardt
we betrekken een afstand – weg

en verdwijnen

je bent de guide routard om langs te lopen
om te vermijden

iemand kruist je pad, desnoods ergens
op oneindig

in de hemel had ze jou het uitzicht beloofd je hoofd op een montumentale staak gespietst
een wieltje onder je kop en maar draaien en maar waaien

voor – niet uit – liefde heb je haar tegengesproken
(wat had zij dan gezegd
toen ze afwachtend haar antwoord aan je voorzweeg?)

jij hebt je ogen voorgoed afgekeerd!

wie is laf genoeg
om het een straf te noemen? zich daarna te zegenen
met de gratie van een god om met inzicht onzin uit te kramen?

je bent een zonnestraal gevangen tussen twee holle lenzen
in een lichtdicht donker vat

sprekend voor jezelf, laat ons hierbuiten

hoop gooit nu de ogen in de hoogte, tuurt naar de verte schaamte nagelt de blik
ten gronde niemand heeft oren
er wordt gekeken
er is uit- af- en inzicht

uit twee slangen leerde jij het leven
het is een leugenaar die zegt
dat de slang ons uit de hemel weert met flutfabels
over bloedmooie vrouwen
die in het duister verdwijnen na een venijnige beet in de hiel

ai
there’s the rub

blazen we onze angst aan
in het vuur dat prometheus ons schonk
belofte maakt zijn eigen schuld en
welke schurk bedacht zo’n mooi eufemisme voor de bliksem?

na jou
was alles misdadig

“hij wordt oud zolang hij zichzelf niet kent”
spiegellieger zilverspreker hulpkastraat

“alleen uit liefde voor mezelf doe ik je niets aan”
excuses zijn de ziel van de schoonheid

de dag dat ik met mijn moeder het bed deel en met een dolk
mijn ogen tot inkeer breng

zijn wij thuis

ik heb alvast de slang
ontboden op het laatste avondmaal
ik heb de voeten gewassen in onschuld
de klei over mijn lichaam gesmeerd

ik heb de joden gehuisvest onder het dak
van de wereld de moslim tot zijn buur gemaakt
ik heb de stilte gesticht in afwachting

het is niet het verlangen dat brandt
het is de toekomst

enkel uit de
h-E-l
verrijst de
he-m-el

8.11.07

O (w)armer BelgIë

Geachte heer Leterme,

U en uw collega’s laten meer dan anderhalf miljoen landgenoten in de kou staan. Mag ik u vragen waarom?

Nu de brandstofprijzen onrustwekkend hoog zijn, mogen anderhalf miljoen landgenoten vrezen voor een akelig barre winter. Deze mensen hebben het al het hele jaar niet breed. Met de winter voor de deur kunnen ze wel wat extra gebruiken, maar ze worden daarentegen nog verder uitgekleed. Ze hebben geen geld om degelijk te verwarmen, geen geld om te investeren in betere isolatie, een passief huis, of in degelijkere kleren. Geen geld om wat meer voedsel te kopen, gezonder voedsel ook, want hé, ook de boeren, vissers, telers en andere voedselproducenten hebben te kampen met hoge brandstofprijzen. En dus worden de vis én andere basisproducten steevast duur – te duur? – betaald.

Anderhalf miljoen armen, is dat niet wat overdreven? Cijfers liegen altijd een heel klein beetje, dat geef ik grif toe. Want als er nu anderhalf miljoen Belgen met armoede geconfronteerd worden, dan zijn er een pak mensen die niet veel tegenslag nodig hebben om ook bij die groep gerekend te worden.

Maar wat met al het geld van brandstoftaksen dat in de schatkist terecht komt? Komt dat de staat en dus ook die anderhalf miljoen arme landgenoten niet ten goede? Je zou eraan durven twijfelen.

Woensdag 7 november 2007: 11.11.11. dient een klacht in omdat journalist Thiery Debels beweert dat er voor elke 100 euro die je geeft aan 11.11.11. slechts één zijn uiteindelijke doel bereikt. Als ik het goed begrepen heb, wordt het gros opgeslorpt door een middenveld dat er eigen werkingsmiddelen uit haalt om die ene euro – of meer – ter plaatse te brengen.

Ik wil 11.11.11. nog het voordeel van de twijfel gunnen. Maar hoe zit het met onze belastingen? Belastingen die wij voor onze hulpbehoevende medemens en – laten we eerlijk zijn – ook voor onszelf betalen? Hoeveel procent van wat we afstaan komt uiteindelijk in de vorm van financiële of andere tegemoetkomingen terecht bij de mensen die het echt nodig hebben? Wie graait er – per persoon gerekend – het meest uit die pot en waarom? En hoe komt het in godsnaam dat er zo veel geld nodig is om dat massaal vele geld dat wij afstaan tot bij die mensen te krijgen? Wat heeft dit allemaal nog met solidariteit te maken?

Negenenzestig procent van alle werkende landgenoten – en dat zijn er dankzij de vorige (huidige?) regering ondertussen 200 000 meer dan vier jaar geleden – klopt regelmatig overuren, zonder daar overigens voor verloond te worden. We werken dus met z’n allen massaal te veel. Bovendien dragen we nog eens behoorlijk veel belastingen af. We zijn – als u het dus zo bekijkt – zowat het ijverigste volkje van Europa dat bovendien nog het solidairst is ook.

Dan begrijp ik niet waarom er nog anderhalf miljoen landgenoten nu de hele winter moeten klappertanden, hopend dat er niets mis gaat. Want wat als er iemand ziek wordt? Wat als er brand ontstaat door slechte verwarmingstoestellen? Wat als er iemand stikt door co-vergiftiging? Wat als alles nog duurder wordt? Hoe gaan we het dan redden?

En nu we toch bezig zijn. Dan begrijp ik ook niet waarom een gemiddeld gezin met twee kinderen aangemaand wordt om zich tot zijn vijfenzestigste uit de naad te werken? En ik begrijp nog minder waarom diezelfde mensen moeten vrezen dat ze – na al hun werk – niet eens een redelijk pensioen zullen hebben, tenzij ze zelf voor iets extra’s gezorgd hebben. Want de staat kan nu eenmaal niet voor iedereen zorgen. Om nog maar te zwijgen van de pensioenen van de bejaarden van vandaag die ervoor gezorgd hebben dat wij het toch betrekkelijk goed hebben. In de volksmond heet zoiets stank voor dank.

Het is gemakkelijk schieten op politici. Uw verloning staat naar verluidt niet in verhouding tot het loon van topmanagers. Maar ik heb zo het flauwe vermoeden dat u zich niet al te veel financiële zorgen hoeft te maken. En ik heb het vermoeden dat wanneer u en uw collega’s de Wetstraat en aanpalende straten verlaten, u het wel ‘gemaakt heeft’ in het leven.

Het is u uiteraard gegund.

Want, begrijpt u me niet verkeerd, u werkt erg hard. U klopt verdraaid veel uren en uw familie moet verdomd flexibel zijn. Daar mag iets tegenover staan. En u bent uiteraard ‘ook maar een mens’.

Maar u hebt de mogelijkheid – meer dan eenieder van ons – om samen met uw collega’s de politiek terug te maken tot iets menselijks. Daar hebben we u uiteindelijk voor verkozen. Politiek mag en kan niet langer een amoreel apparaat zijn dat bestaat uit wetten en een geldverslindend soort middenveld dat haar burgers dwingt om te gehoorzamen en hen een utopie voorspiegelt van totale efficiëntie. Alsof alles beter wordt als we het maar efficiënter doen. Alsof alles ook beter draait als het beter geregeld is. Dat klopt, maar niet zonder dat er ook aan een andere, essentiële voorwaarde is voldaan.

We hebben u en uw collega’s namelijk met z’n allen ook verkozen met de uitdrukkelijke wens om er iets goeds van te maken. Niet voor uzelf, niet voor mij, maar voor ons, dé samenleving. En onze samenleving – en zeker haar politieke bestel – mist geen efficiëntie of regels, maar warmte en menselijkheid, eerlijkheid, wijsheid. Niet dat we dat met z’n allen niet in ons dragen. Maar we hebben terug voorbeelden nodig, mensen die dit ook en misschien vooral in de politiek belichamen. Want is zij niet de maatschappelijke hefboom bij uitstek? En nu Kerst toch met rasse schreden nadert: u hebt het mandaat en de mogelijkheid gekregen om het vuur in de mensen aan te wakkeren.

Wij zijn van nature warmbloedige wezens. Mocht u het even vergeten zijn, voelt u even aan de persoon naast u. Help ons om terug openlijk warm te zijn. Help ons om samen van België de warmste samenleving ter wereld te maken. Help ons om een samenleving te maken waar geen enkele winter voor geen enkele landgenoot nog een barre beproeving hoeft te zijn. En u zult zien, een beetje meer menselijkheid, een beetje meer warmte, eerlijkheid en wijsheid in onze politiek kunnen wonderen doen. Daar hebben we geen christus voor nodig. Een premier én een regering zou al mooi zijn.

Genegen groeten,

Arne Schoenvuur