24.2.09

Derde Brief aan Maarten Inghels: netwerkstoringen

verbind met ander netwerk

ze heeft zonder het te weten een valstrik gelegd. maar wat zou het? vandaag is alles zo www als het maar zijn kan. kan het zijn? kan het maar zijn? vraag je je af, terwijl je god weet welke gedachten even probeert te bannen, je je blik ten slotte toch vol verwachting ten hemel richt, eeuwig blauw scherm, zelfs daar geen foutmelding te bespeuren.

een kraai pixelt je gedachten. je knippert met je ogen. als een mens alle milliseconden knippering optelt, hoeveel dagen van zijn leven is hij dan blind? je sluit je ogen, voorgoed, maar dan in 5 minuten, probeert rebels zijn op de tast even uit, zo traag dat de wereld haast vanzelf in beweging komt.

ho maar, bijna trein gemist. er galopperen drie paarden voorbij. de wind legt de zweep op het grasveld, mustang gevangen tussen prikkeldraad, de ruiter blaast zich te pletter. het staal wil van geen wijken weten, buigt even mee bij impact, scheurt vlaag na vlaag aan stukken. de laatste restjes van een muur zijn nooit te slopen. dat inzicht werd in gesponnen staaldraad vereeuwigd, bedenk je nu. het houdt geen steek. wat zou het?

het moet dan maar. je telt de huizen die je achterlaat aan één kant van de trein, minuten in een dagboek dat na het schrijven een eigen leven gaat leiden. een oud besje tuurt terug tussen de sanseveria’s op haar vensterbank. inkadermoment, het raam als passe-partout. je bent overal en nergens. je blijft for the time being tellen. aan honderd gebeurt er iets speciaals. hoekhuis met café: ’t spoor. is dit alles wat er is? hardop, je woorden hotsen en botsen als een dronkelap door de coupé tot ze in het gangpad verdwijnen.

alleen een slaapje kan je nog redden. met de ogen dicht en beide voeten op de grond, of wat daar nog van overschiet in een voortdenderende trein. je weet waar je heen gaat. je hebt een doel in je leven. tot 16u55. daarna verandert alles. voor je ’t goed en wel beseft ben je aangekomen. wat kippen op een stok in de restanten van een weide met een doorgeroeste tractor. vergeten herinneringen aan het platteland, ontsnapt aan de vraatzucht van de stad. oases in woestijnen zijn zo goed als dood als niemand ze bewondert. in de verte galmt het verdikt. eindstation. uitstappen.

je bent buiten. altijd aan de rand. je spreidt opnieuw je armen, in de hoop, leunt lichtjes voorover. tot de ketting strak trekt. daar aan de overkant van het stationsplein is een kruispunt met lichten en pijlen. dat is een begin. iemand fietst voorbij. haar zou je willen zijn op haar rode fiets, met haar witte laarsjes, haar engelenhaar en parelmoeren huid waarin hij straks met zijn stoppelbaard onuitwisbare krasjes trekt. je rent haar achterna, het kruispunt op. iemand zet het licht op rood. de timing is perfect maar helaas.

het stuk is ten einde

net voor je met je gezicht tegen de tegels smakt. tot dan.
zat alles goed

(terwijl je valt) een koorddanser, je bent een koorddanser. hou vol. er komt een dag. er komt een afgrond. er komt een moment dat het de moeite wordt.
om te vallen.

u hebt weer verbinding met uw favoriete draadloze netwerk

Dit gedicht verscheen eerder in Dighter.

19.2.09

Brief aan Maarten Inghels (re: brief 09/02)

Fragment van een onmogelijk rondo met drie puntjes in het midden

Zou de aarde weten wat ze wil? En
zo ze zou weten wat ze wil,
zou ze dan nog plichtsbewust
om haar as draaien?
Zou ze de zwaartekracht vaarwel zeggen
en uitdijen tot aan het einde van het heelal? Of
zou ze naar de zon toe suizen
om haar uit het middelpunt van de belangstelling te knikkeren?

Zou de schurftige albinohond weten wat hij wil?
En zo hij zou weten wat hij wil,
zou hij je dan nog plichtsbewust aankijken
terwijl je hem aanspreekt? Of
zou hij zijn tanden ontbloten en onbedaarlijk beginnen te lachen
om je dan de staart toe te keren, huiswaarts te gaan
en er een stukje Mozart te spelen?
op een historisch verantwoord klavierinstrument.

...

Zou jij weten wat je wil?
En zo je zou weten wat je wil,
zou je dan nog dichten?

Splinters van een orgelpunt

Aan antwoorden ben ik niet besteed.
Ik heb er de vragen niet voor.
Sta me toe om geen excuses te zoeken.
“And it makes me float free,
to feel how small my life must be”

zingt mijn vrouw, nadat ze zich afvraagt:
hoe gek is het leven eigenlijk?
Als veranderling zijn wij
aan elkaar gewaagd, zullen wij nooit dezelfde zijn.
Blindgangers afgevuurd in spiegels.
Met spiegelneuronen als onvermijdelijk uitwijkmanoeuvre.
Gelukkig maar.

9.2.09

Brief van Maarten Inghels (re: brief 05/02)

Deze brief, dit gedicht, is het antwoord van Maarten Inghels op de brief die ik op 05/02 aan Maarten schreef.

Arne, ik zou willen weten:
wat maakt het de moeite waard
om dit leven te blijven leiden
te volharden in boosheid en
door te blijven schrijven; brieven
opstellen, gedichten waarin je
jezelf aanprijst en de ander in herkent.
Je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat
we al geruime tijd problemen hebben
met ons hart, toch mixen we de absint
met champagne, de ontploffing onder
mijn huid maakt van de zon een
persoonlijke vriend.

Arne, ik zou willen weten:
wat maakt het de moeite waard,
want vandaag sprak ik met een albino-
hond op straat, zijn schurftige rug stond
stijf van een lsd-trip, de kussens op zijn
voetzolen lagen open van de spuiten vol
geluk, maar iets zinnigs zeggen deed-ie
niet. De dokter zegt dat ik leef in
de (n)onwerkelijkheid, ik zeg dat
ik wacht op de uitkering van mijn liefde.
In afwachting bekijk ik schreeuwerige
powerpoint-presentaties, lees ik mijn
wratten als braille, etcetera. Al eeuwen
wacht ik op de stilte, de vlakke grond,
misschien zijn we gewoon mensen.

Arne, ik zou willen weten:
wat maakt het de moeite waard ,
het liefst zou ik willen dat de groene fee
me mee naar huis neemt, niet dat ze
zegt: ik wil dat je me op de motor-
kap pakt. Arne, mijn droom is
onmogelijk en nefast, we zijn de bakkers,
de slagers, de terroristen van de vitaliteit,
maar misschien ben ik nog het meest de hond.
Ik geniet van de echo van het systeem, de orde,
de waanzin van de structuur waarin ik
de schoonheid ken, de lijnen, de regels.
Ik volhard en blijf schrijven; brieven
opstellen, gedichten waarin je de wereld
herschrijft, vertaalt, ... etcetera

Naar: H. Lodeizen.

5.2.09

Brief aan Maarten Inghels

Ik dicht niet voor de poëzie. Ik dicht voor het leven.Weet je waar het dichterscircus me aan doet denken? Aan veredelde zwaardvechters. Mensen die hun kunst beoefenen in tournamenten waarvan niemand nog weet waar ze voor dienen. Tijdens een oorlog valt er geen land met ze te bezeilen. Ze zouden geen slagveld meer herkennen mochten ze er één zien. Dichters. Het zouden de levenskunstenaars moeten zijn, de bakkers, de slagers, de guerillero's van de joie de vivre, de terroristen van de vitaliteit.

Het dichterscircus. Vormfetisjisten die nauwelijks nog goeiedag kunnen zeggen en het nog menen ook. Die weten wat het betekent, zonder het te verfoeien als platvloers, populistisch en oppervlakkig. Mensen die het spreken, het oreren, het ratelen en het reutelen tot een kunst om de kunst hebben verheven, waardoor ze nauwelijks nog de vragen horen om zich heen.

Iedere ontmoeting Maarten, is voor mij een vraag. Iedere ontmoeting is de kans op een ontdekking. Iedere mens is geboren met een vraag voor het leven. En allen trachten we op onze manier uitdrukking te geven aan die vraag. En dus praten we. Tot we een luisterend oor vinden. Geen sympathie, geen empathie, maar een Ander die ons Eigen laat zijn. Iemand die luistert zodat we plotseling onszelf horen. En we eindelijk dé vraag kunnen stellen die zo diep in ons verborgen ligt.

Pas dan, pas dan kan een dichter spreken.

Misschien zijn we geen dichters Maarten. Misschien zijn we gewoon mensen en waren dichters vroeger de grote luisteraars die hun kunst tot een kunstje herleid hebben, een trukendoos, een toverdans met toverwoorden, mystiek in een stuk of wat gedichten. Ik beken Maarten, ik heb het ook gedaan. Straffer nog, ik merk nog iedere dag hoe veel ik nog te leren heb.

Gisteren las ik iets wat m'n leven verandert. Dat het mooiste in een gesprek is dat de ander stilvalt. Omdat ze eindelijk gezegd heeft wat er te zeggen valt. Het deed me beseffen hoeveel er nog te ontdekken valt in een wereld die nauwelijks stiltes verdraagt, en dan bedoel ik echte stiltes, geen stiltes van angst, geen nazinderende echo van bevelen, geen huiverende ingehouden huilen van schuldbesef, geen schaamte, maar stilte zoals je die vindt wanneer je met je geliefde aan het einde van een dag vol heerlijke toevalligheden aan het einde van je wandeling aan een veld komt - het is augustus, er steekt een bries op achter je - blaast een lok van achter haar oor, en je samen naar de einder kijkt, zon zijdelings op haar gezicht, daar. Die stilte.

Als een dichter iets voor de wereld kan doen, dan is het haar te laten zien hoe ze is op een manier die respect en aanvaarding mogelijk maakt. Als ik een dichter wil zijn, dan liefst een dichter die het oordeel uitstelt tot dat het niet meer hoeft en men het vergeten is. Als ik een dichter wil zijn, dan liefst één die verdwijnt als z'n taak volbracht is, in een buschauffeur die een dame groet op de nachtbus, een praatje maakt en luistert naar haar verhaal - ze is ... - of een kleuter die tijdens het eten even de hand van haar oom aanraakt, uit liefde, de dingen die Mark groet, je kent ze wel, iemand die het leven leidt zonder het voortdurend te willen claimen.

Het is een diep verlangen. En ik heb nog een hele weg te gaan.

Grappig dat je marketing noemt. Laat het nu net daar zijn dat ik mensen heb ontmoet die me echte mensenliefde hebben getoond. Marketing draait om mensen en vooral: hoe verspreid je waardevolle ideeën zodat ze bij de mensen terecht komen die ze het meeste nodig hebben. Seth Godin - what's in a name - is zo iemand. Wat Barrack Obama zegt, is een verhaal dat hij ook al een tijdje uitdraagt.

Marketing. Poëzie. Het zijn slechts labels om de richting aan te geven waarin mensen op zoek gaan naar wat hen drijft. Een tijdje geleden heb ik labels afgezworen. Ik kon me niet vinden, er waren geen kleren die me pasten. Copywriter, branddigger, storyteller, marketeer, dichter, broer, minnaar, geliefde, klootzak, ... Het is zo gemakkelijk om je erin te verliezen. Net zo gemakkelijk om te zeggen dat iets marketing is en het dan te verfoeien. Ik neem het je niet kwalijk. Verre van. Ik deel je boosheid, je ongenoegen over het soort marketing dat je verfoeit. Maar het is nooit de marketing, het is nooit de poëzie, het zijn nooit de copywriters, de politici, de soldaten, de moslims, de joden, de idioten, de intellectuelen, de noem-maar-op-als-je-kunt.

Systemen zijn echo's van mensen en macht die vaak in stand worden gehouden omwille van het systeem, de herkenbaarheid, de orde. Het zijn machinaties, machines die soms eindeloos verfijnd worden tot we niet meer weten waarvoor ze dienen. En heel vaak worden we gedwongen om in die machinaties te blijven leven. Waarom? God mag het weten. Omdat het hoort? Omdat het voortvloeit uit wat gisteren was en omdat het ons leidt naar wat morgen zal zijn? Omdat we niet anders kunnen? Wat is er gebeurd met wat we 'anders willen'? Aan ieder systeem lag ooit een wil ten grondslag.

Als je het poëziegebeuren beschrijft dat je gisteren hebt meegemaakt, kan ik het niet helpen om aan dat soort systemen te denken.

Maar liever dan ze te verfoeien - wat ik gaarne doe - zal ik ze toch altijd liever als een kans zien om er een onvervuld verlangen in te zien, van honderden mensen die zich elk op hun manier willen uitdrukken, maar er nog altijd niet in slagen. Die zichzelf willen zijn, maar het niet kunnen, niet durven.

Ik wil, als dichter niets liever, dan dat ze zichzelf gelukkig maken. Ik wil hen het vertrouwen en het plezier geven om zelf te ontdekken hoe dat kan, hoe dat gaat.

Wat ik daarvoor moet doen? Het eerst zelf ontdekken.

4.2.09

Revision: There's something rotten in the state of poetry

There’s something rotten in the state of poetry.

Er zijn dichters die de wereld niet eens de kans geven om vragen te stellen.
Het zijn dichters die zich bekwaamd hebben in de kunst van het antwoorden nog voor jij of ik zich kunnen afvragen: “Wat bedoel je hier nu mee?”
Dan zeggen zij: dit gedicht behoeft geen uitleg, zonder aanhalingstekens, want liefst geen commentaar meer.
En dan stopt het gesprek en hoe hard ik ook luister naar hun antwoorden, het zijn enkel vragen die je hoort, vragen die je niet meer stellen mag.
Dan kijken zij triomfantelijk in het rond, zij zijn meestal niet zo groot en staan graag op een podium om dan met veel voldoening - zo lijkt het toch - het volkje te overschouwen waarvan zij zich losgerukt hebben.
Dan kijken zij dus triomfantelijk in het rond en horen wat lijkt op stilte als bevestiging van hun gelijk.
Een lelijke vergissing, zowaar, want als angst een soortelijk gewicht zou hebben en een viscositeit die groter is dan,
nou, het getal dat je nodig hebt om een stof vloeibaar te noemen, dan zou de dichter watertrappelend naar het plafond staren op zoek naar een uitweg.
“Ik heb jullie met verstomming geslagen.” Haha!
Zulke dichters, zij lijden aan een milde vorm van dislectie.
Zij verwarren bewondering met verwondering.
Hun verzen zijn geen blijk van mededogen, geen zachte strelingen op de huid van een geliefde als om in iedere beweging van haar lichaam op zoek te gaan naar wat er in haar leeft en je te verliezen in alles waarvan je nog niet eens kon vermoeden dat je er haar voor kon liefhebben.
Als om in het uiterste tipje van je opperhuid zo aanraking te herleiden tot bijna niets, en dat dan voelen. Wat heet aanwezig zijn.
Hun verzen zijn evenwichtsoefeningen op een touw zonder vangnet in een circus waarvan de tent gesloten is en de toeschouwers geen blik op de wereld wordt gegund.
Grijnzende clowns, zij hebben lachkramp, fluisteren in onze oren: “Voelt gij nu hoe vreemd het leven is? Hoe onbegrijpelijk? Hoe betekenisloos?”
Op hun wangen prijkt een traan die maar niet biggelen wil.
Kunst als het summum van kunstjes.
Als je de wereld maar klein genoeg maakt, wordt alles vanzelf groots.
En de circusdirecteur geniet. Alles verloopt naar wens.
Ziedaar, de dichters.
Aan hen werd nooit iets gevraagd. Zonde van de genialiteit.
Het ligt niet in hun aard om lang te wachten, zij zijn geboren om te spreken. Zelfkennis is het begin van de wijsheid.
En wie niet horen wil, moet dan maar voelen. De vrijheid als marsbevel.
We kunnen het alleen samen. Samen zijn we sterk. Yes we can, zolang je maar doet wat ik je zeg. Hou van me en je zal gezond worden.
En stel vooral niet teveel vragen.
Laat dat maar aan mij over.
Je vindt hen op het einde van hun leven in een bunker, gifpil in de ene en met één kogel geladen pistool in de andere hand, met een vrouw en kinderen en vrienden die niet weten wie ze zijn.
Maar het is goed om bij hen te zijn.
Meermannen en -vrouwen, het water aan de lippen, ze trappelen, doodsbang om te verdrinken, want plots weer échte mensen.
En wanneer het bolwerk valt en het leven hun betonnen ei openbreekt en zij kopje onder gaan hebben zij al verkozen te sterven en te verdwijnen.
Aan dit leven hebben zij geen deel. (dat is een bevel)
Na hen is er geen verbeelding meer. Men kan zich het leven na hen niet meer voorstellen.

Vragend staan we bij hun wezenloze lichamen. Of wat ervan overblijft.

Hoe heeft dit ooit kunnen gebeuren?

Iemand prevelt iets.

“Da’s ‘t leven. Ik weet het zeker.”

Hier gaan we weer.