5.2.09

Brief aan Maarten Inghels

Ik dicht niet voor de poëzie. Ik dicht voor het leven.Weet je waar het dichterscircus me aan doet denken? Aan veredelde zwaardvechters. Mensen die hun kunst beoefenen in tournamenten waarvan niemand nog weet waar ze voor dienen. Tijdens een oorlog valt er geen land met ze te bezeilen. Ze zouden geen slagveld meer herkennen mochten ze er één zien. Dichters. Het zouden de levenskunstenaars moeten zijn, de bakkers, de slagers, de guerillero's van de joie de vivre, de terroristen van de vitaliteit.

Het dichterscircus. Vormfetisjisten die nauwelijks nog goeiedag kunnen zeggen en het nog menen ook. Die weten wat het betekent, zonder het te verfoeien als platvloers, populistisch en oppervlakkig. Mensen die het spreken, het oreren, het ratelen en het reutelen tot een kunst om de kunst hebben verheven, waardoor ze nauwelijks nog de vragen horen om zich heen.

Iedere ontmoeting Maarten, is voor mij een vraag. Iedere ontmoeting is de kans op een ontdekking. Iedere mens is geboren met een vraag voor het leven. En allen trachten we op onze manier uitdrukking te geven aan die vraag. En dus praten we. Tot we een luisterend oor vinden. Geen sympathie, geen empathie, maar een Ander die ons Eigen laat zijn. Iemand die luistert zodat we plotseling onszelf horen. En we eindelijk dé vraag kunnen stellen die zo diep in ons verborgen ligt.

Pas dan, pas dan kan een dichter spreken.

Misschien zijn we geen dichters Maarten. Misschien zijn we gewoon mensen en waren dichters vroeger de grote luisteraars die hun kunst tot een kunstje herleid hebben, een trukendoos, een toverdans met toverwoorden, mystiek in een stuk of wat gedichten. Ik beken Maarten, ik heb het ook gedaan. Straffer nog, ik merk nog iedere dag hoe veel ik nog te leren heb.

Gisteren las ik iets wat m'n leven verandert. Dat het mooiste in een gesprek is dat de ander stilvalt. Omdat ze eindelijk gezegd heeft wat er te zeggen valt. Het deed me beseffen hoeveel er nog te ontdekken valt in een wereld die nauwelijks stiltes verdraagt, en dan bedoel ik echte stiltes, geen stiltes van angst, geen nazinderende echo van bevelen, geen huiverende ingehouden huilen van schuldbesef, geen schaamte, maar stilte zoals je die vindt wanneer je met je geliefde aan het einde van een dag vol heerlijke toevalligheden aan het einde van je wandeling aan een veld komt - het is augustus, er steekt een bries op achter je - blaast een lok van achter haar oor, en je samen naar de einder kijkt, zon zijdelings op haar gezicht, daar. Die stilte.

Als een dichter iets voor de wereld kan doen, dan is het haar te laten zien hoe ze is op een manier die respect en aanvaarding mogelijk maakt. Als ik een dichter wil zijn, dan liefst een dichter die het oordeel uitstelt tot dat het niet meer hoeft en men het vergeten is. Als ik een dichter wil zijn, dan liefst één die verdwijnt als z'n taak volbracht is, in een buschauffeur die een dame groet op de nachtbus, een praatje maakt en luistert naar haar verhaal - ze is ... - of een kleuter die tijdens het eten even de hand van haar oom aanraakt, uit liefde, de dingen die Mark groet, je kent ze wel, iemand die het leven leidt zonder het voortdurend te willen claimen.

Het is een diep verlangen. En ik heb nog een hele weg te gaan.

Grappig dat je marketing noemt. Laat het nu net daar zijn dat ik mensen heb ontmoet die me echte mensenliefde hebben getoond. Marketing draait om mensen en vooral: hoe verspreid je waardevolle ideeën zodat ze bij de mensen terecht komen die ze het meeste nodig hebben. Seth Godin - what's in a name - is zo iemand. Wat Barrack Obama zegt, is een verhaal dat hij ook al een tijdje uitdraagt.

Marketing. Poëzie. Het zijn slechts labels om de richting aan te geven waarin mensen op zoek gaan naar wat hen drijft. Een tijdje geleden heb ik labels afgezworen. Ik kon me niet vinden, er waren geen kleren die me pasten. Copywriter, branddigger, storyteller, marketeer, dichter, broer, minnaar, geliefde, klootzak, ... Het is zo gemakkelijk om je erin te verliezen. Net zo gemakkelijk om te zeggen dat iets marketing is en het dan te verfoeien. Ik neem het je niet kwalijk. Verre van. Ik deel je boosheid, je ongenoegen over het soort marketing dat je verfoeit. Maar het is nooit de marketing, het is nooit de poëzie, het zijn nooit de copywriters, de politici, de soldaten, de moslims, de joden, de idioten, de intellectuelen, de noem-maar-op-als-je-kunt.

Systemen zijn echo's van mensen en macht die vaak in stand worden gehouden omwille van het systeem, de herkenbaarheid, de orde. Het zijn machinaties, machines die soms eindeloos verfijnd worden tot we niet meer weten waarvoor ze dienen. En heel vaak worden we gedwongen om in die machinaties te blijven leven. Waarom? God mag het weten. Omdat het hoort? Omdat het voortvloeit uit wat gisteren was en omdat het ons leidt naar wat morgen zal zijn? Omdat we niet anders kunnen? Wat is er gebeurd met wat we 'anders willen'? Aan ieder systeem lag ooit een wil ten grondslag.

Als je het poëziegebeuren beschrijft dat je gisteren hebt meegemaakt, kan ik het niet helpen om aan dat soort systemen te denken.

Maar liever dan ze te verfoeien - wat ik gaarne doe - zal ik ze toch altijd liever als een kans zien om er een onvervuld verlangen in te zien, van honderden mensen die zich elk op hun manier willen uitdrukken, maar er nog altijd niet in slagen. Die zichzelf willen zijn, maar het niet kunnen, niet durven.

Ik wil, als dichter niets liever, dan dat ze zichzelf gelukkig maken. Ik wil hen het vertrouwen en het plezier geven om zelf te ontdekken hoe dat kan, hoe dat gaat.

Wat ik daarvoor moet doen? Het eerst zelf ontdekken.

4 Jij krijgt het laatste woord.:

Maarten zei

Hij ligt al een tijdje te rusten, of te roesten. Maar ik antwoord gauw, maar niet overhaast.

Maarten zei

Arne, ik zou willen weten:
wat maakt het de moeite waard
om dit leven te blijven leiden
te volharden in boosheid en
door te blijven schrijven; brieven
opstellen, gedichten waarin je
jezelf aanprijst en de ander in herkent.
Je zou niet zeggen: je zou niet zeggen dat
we al geruime tijd problemen hebben
met ons hart, toch mixen we de absint
met champagne, de ontploffing onder
mijn huid maakt van de zon een
persoonlijke vriend.

Arne, ik zou willen weten:
wat maakt het de moeite waard,
want vandaag sprak ik met een albino-
hond op straat, zijn schurftige rug stond
stijf van een lsd-trip, de kussens op zijn
voetzolen lagen open van de spuiten vol
geluk, maar iets zinnigs zeggen deed-ie
niet. De dokter zegt dat ik leef in
de (n)onwerkelijkheid, ik zeg dat
ik wacht op de uitkering van mijn liefde.
In afwachting bekijk ik schreeuwerige
powerpoint-presentaties, lees ik mijn
wratten als braille, etcetera. Al eeuwen
wacht ik op de stilte, de vlakke grond,
misschien zijn we gewoon mensen.

Arne, ik zou willen weten:
wat maakt het de moeite waard ,
het liefst zou ik willen dat de groene fee
me mee naar huis neemt, niet dat ze
zegt: ik wil dat je me op de motor-
kap pakt. Arne, mijn droom is
onmogelijk en nefast, we zijn de bakkers,
de slagers, de terroristen van de vitaliteit,
maar misschien ben ik nog het meest de hond.
Ik geniet van de echo van het systeem, de orde,
de waanzin van de structuur waarin ik
de schoonheid ken, de lijnen, de regels.
Ik volhard en blijf schrijven; brieven
opstellen, gedichten waarin je de wereld
herschrijft, vertaalt, ... etcetera

Naar: H. Lodeizen.

Maarten zei

Dag Arne, heb je mijn antwoord gekregen? Ik had het hier gepost, anders stuur ik het via mail. Alle goeds,

Denis Vercruysse zei

Arne,

Waarop deze prachtige brief een antwoord wenst te geven, daar heb ik het raden naar. Het zal ongetwijfeld een opmerking van Maarten geweest zijn op een poëziegebeuren. Vermoedelijk een niet zo lovende observatie. Er komt wat walging boven water tussen de regels. De walging waartegen je je afzet, op die manier van je, die ik al wat begin te kennen. “It’s not about being superman. It’s about being superbly human”. Ik hoor het je nog zeggen, met de twee glanzende ogen van een superman, die met die uitspraak (misschien ongewild) elke mens afzonderlijk, maar gelijktijdig in de armen neemt.

Er moet geluisterd worden. En er moet een herinnering zijn van dat luisteren. De stilte waarin twee mensen elkaar vinden zonder dat er gebabbeld moet worden, is een fonkelende stilte, wars van gemeenplaatsen, maar vervuld van empathie, een moment van gelijkgestemd zijn. Het is een zeldzame vorm van harmonie, die er is omdat er ooit geluisterd werd.

Maar we kunnen niet iedereen afzonderlijk en gelijktijdig in de armen nemen. Er zijn knooppunten in een mensenleven. Ontmoetingen, waarin we balanceren tussen vuur en ijs. Onderweg verwarmen we of verbranden we elkaar. Soms trekken we splinters uit ons hart.

We zijn slordig in onze ontmoetingen. We zijn geen supermensen. We zijn onderhevig aan onze eigen machinaties. Ook jij definiëert poëzie naar je eigen systeem. Een systeem waarin er geconnecteerd wordt met de wereld, met de mensen daarin. Anderen hebben systemen waarin de vorm voorop staat. Muzikaliteit. Rauwe taalmaterie.

Wat het systeem ook mag zijn, er moet genoeg oorspronkelijkheid en zeggingskracht vanuit gaan om het interessant te maken. Ik luister maar met een half oor als ik het al eens gehoord heb, of toch die indruk krijg. We moeten zuinig zijn in onze ontmoetingen, als we echt willen luisteren. Als iets zich uit de modder tracht te trekken, als iets genadeloos en ongeïnspireerd kopieert, dan wil ik wachten op een vuurpijl die aankondigt dat het tij ervoor gekeerd is, maar ik wil er niet naar luisteren.

Het kan geen kwaad ontgoocheld te zijn. Er mag gewalgd worden. Misschien moeten we gewoon niet sjacheren. Ik geef toe dat ik me daar veel te vaak aan bezondigd heb, aan dat donker en vuil lawaai van moddergooien. En telkens wou ik dat ik die andere stilte had gevonden, die stilte van het bewandelde pad. Van de voetstappen in het stof. Want rond dat pad spint zich een wondere wereld, met struiken om opzij te duwen.

We hebben allemaal nog veel te leren. Gelukkig maar.