30.8.06

[Poëzie - Angelus] als je binnenzak

Jij alleen
kan zo verdwalen.

Je vindt wat zinnen in je rechterzak. Kruimels zijn het, dat gestamel.
Met je vingers probeer je de woorden aan te halen. Waarom toch?
Wat hoop je te vinden? Wat hoop je nog uit te kunnen spreken?
En wat doet het ertoe?

Je blijft het proberen. Beweegt je vingers voorzichtig als in vijverwater
tussen de algen
en dan plotseling toch venijnig graaien. Zonder resultaat.

Woedend trek je de voering van je zakken naar buiten. De wereld
mag het hebben. Alsof je water in een glas straft door het in zee te gieten.

Je wil roepen tegen een voorbijganger
dat jij alleen weet wanneer het licht op groen springt, maar je beseft
je weet niet wat het betekent.

Allemaal excuses,
allemaal excuses om niet uitgesproken te zijn.

Hoe klinkt dat, uitgesproken zijn?
Hetzelfde als verzwegen, maar dan anders.
Anders is gemakkelijk. Hetzelfde ook.

Enkel de kruimels spreken je tegen.

Even voel jij je weer een held nu je denkt
dat iemand er wel zijn weg in zal vinden. Noem het kunst
dat brengt de meeste dingen wel thuis.

--
Posted By Arne S. to Poëzie - Angelus at 8/30/2006 04:26:00 PM

26.8.06

[Poëzie - Angelus] iminimens

bezwerende formules
waar de fouten zich opstapelen
tot gevels huizenhoge misrekeningen
het vele vormen van beheersing

we meten af in rechte hoeken
verbannen scheve hoeken
sluiten hen op in zwarte kubus
met spiegelglas vanbinnen
moderniteit
tot bewijs van het tegendeel
ei zo naam
de eerste.
(______)
waar rood op groen op rood springt o
ranje een gefakete aarzeling alles in tegenspraak is
diabologisch er is geen speld
meer tussen te krijgen
deuren slaan dicht televisielicht
brengt variatie aan op het behang
gedurfde evenwichtsoefening op zoek
naar de minste weerstand waar een wil is is een weg
- wil - weg - ergens
gaat een licht op oranje knipperen
een oogje dicht in tegenlicht straatlicht verhindert staar
in de huizen screensaver voorbehoedsmiddel tegen inbrandblikken
hier en daar

licht de hoogmoed op na het appel nu de peertjes
geforceerd, bekrachtigd

je spaart met het topje van je neus een punt uit op het raam
waar 's ochtends de hele zin weer vrolijk - ach wat mag het - tegenaan zal staan
onwrikbaar sleutelgat

en wie komt er kijken als het ochtendlicht
jij te slapen ligt
je netvlies spaart voor jijweetwelbeters
op exact de juiste afstand doorkruist een vlieg de lichtstraal en verbrandt
in volle vlucht

het moet toch maar lukken - hé
dit zal toch geen opgezet spel - hé

iemand wandelt voorbij
kijkt naarbinnen
een moment van herkenning

als iedereen tegelijkertijd inademt
vallen alle muren weg
we zijn zo goed
als kansloos

ooit gebeurt het

- lepel loodrecht in balans op het tafelblad
we lachen maar wat -

we hebben tijd

en ruimte zat

--
Posted By Arne S. to Poëzie - Angelus at 8/26/2006 10:49:00 AM

24.8.06

25 jaar Arne Schoenvuur in citaten

Mijn jongste zusje is geboren op de dag dat de kerncentrale in Tjernobil ontplofte. Ik ben geboren op de dag dat de Vesuvius uitbarstte en de steden Pompeii en Herculaneum van de kaart veegde. Beetje een explosieve familie dus.

Maar er is wel meer gebeurd op de 24ste augustus: de eerste druk van de Gutenbergbijbel was een feit, Charlotte Bronte zette een punt achter Jane Eyre ("I am no bird; and no net ensnares me; I am a free human being with an independent will."), Sylvia Plath probeerde een eerste keer zelfmoord te plegen, de NATO ging officieel van start ging en Pink Floyd speelde een van z'n beroemdste concerten (in Pompeii nota bene).

Ik ben mag deze verjaardagdelen met


  • Jorge Luis Borges: "The future is inevitable and precise, but it may not occur. God lurks in the gaps."
  • Paulo Coelho: “The wise are wise only because they love. The fool are fools only because they think they can understand love.”
  • Gus V an Sant: "You never look at the backside of a mirror because when you do, it’ll affect your future because you’re looking at yourself backwards. No, you’re looking at your inner self and you don’t recognize it because you’ve never seen it before." ( Drugstore Cowboy )
  • ...

En sta graag eens stil bij de stervensdag van mensen als:

  • Karel van de Woestijne: " 't Is triestig dat het regent in den herfst / dat het moe regent in den herfst, daar buiten. / n En wat de bloemen wégen in den herfst; / n en de óude regen lekkend langs de ruiten…"
  • Thomas Chatterton: "There is a time for all things -- except marriage my dear."
  • Simone Weil: "On dit souvent que la force est impuissante à dompter la pensée ; mais pour que soit vrai, il faut qu'il y ait pensée. Là où les opinions irraisonnées tiennent lieu d'idées, la force peut tout."
  • ...

Ken jij citaten van mensen die op 24 augustus geboren of gestorven zijn?

Alvast bedankt,

Arne.

21.8.06

[Poëzie - Angelus] Angelus - wake

Altijd
is er de angst
het weten betekent het einde
van het geloof. Daar stopt de mens
en begint God, of
alles wat niet leven is.

"Als de Schrift voltooid is"
pars pro toto om van te huiveren, en ik lach
omdat het geen zin heeft om te huilen, er is geen medelijden meer
want geen troost, geen hoop

als de schift voltooid is.
Iedere uitspraak eindigt in een retorische verwijzing
naar de toekomst, het leven
als een onontkoombare tautologie.

In de lijnen van dit geschrift schets ik een labyrint
om mij tot slapens toe te verdwalen.
Wat me overdag rest, is waken tot ik vergeet
dat ik waak.

Het gefluister van de pen, het geruis van de lakens
Echo van mijn onrust het wanhopige achterna hollen van mijn gedachten
ik wil een schreeuw
op papier, later
zal ik vlekken schilderen

en men zal denken dat ik gek ben.
Toch sta ik op en vier de teugels van mijn zelfbeheersing
zonder uit het zadel te vallen – hoe
kan je vallen in vrije val? – maak jezelf

geen illusies. Aan het einde van de kunst
ligt het einde van de wereld. Eindeloos
is een illusie, is zeggen dat we het onzichtbare niet kunnen zien
en daarmee denken dat we het zichtbaar gemaakt hebben, op een dag

komt de zon tot ons. De superster van onze maxi-cosi hemel
zal onze zielen in vuur en vlam zetten, beeldspraak mooi of flauw
doet er niet meer toe, wij zijn enkel in tussentijds dus waarom
niet streven naar? De eeuwigheid

is nooit een mensenleven. Mensen sterven
aan een hartaanval, honger, kanker, aids, een kogel, een overdosis drugs,
geluk, maar geen eeuwigheid. Ik

heb het einde gezien. Ik weet.
Ik ben gestorven. Een belangrijk schrijver
had het in zijn eerste boek over de allerlaatste Oude Egyptenaar
en hoe die nooit ritueel begraven zou worden. Men

vond het zijn slechtste boek. Daarna is het alleen maar beter
gegaan met zijn carrière.

Men
is onbeduidend. Men is de wereld. Hij schreef enkel nog goede boeken.
In tussentijds.

Punten in een zin zijn hoogmoed, futiel oponthoud
uitstel van executie, wij zijn blijvend
in uitvoering, een marathonvoorstelling
"beyond imagination"

en wat is theater zonder verbeelding?

[als wij geboren worden uit water, wat gebeurt er dan als ons lichaam verdampt?]

iedere avond heb ik de laatste gezien iedere nacht
zie ik ze op me afkomen en iedere ochtend
ben ik een leugenaar en ik weet
dat ik gelijk heb

het rechte eind, wat zou het? als het zo is
doet het er niet meer toe

tegen je grootmoeder ga je ook niet zitten zeuren
dat ze dood zal gaan, nee, je legt haar uit
hoe ze een kop koffie maakt met dat nieuwe espressoapparaat
dat ze van de familie gekregen heeft, waarna je dan
met z'n tweetjes een kop koffie maakt – zij
met melk en jij met suiker – die je gezellig leegdrinkt
aan de keukentafel

terwijl de radio speelt
"Jesus he knows me" van Genesis

details

maar dat is vast een ander verhaal

--
Posted By Arne S. to Poëzie - Angelus at 8/21/2006 12:44:00 PM

15.8.06

[Poëzie - Het begin van de snedetocht] Het begin van de snedetocht -XI +XI: jeu de boules

je vindt het even
licht waar het spectrum het breekpunt op handen draagt
hoe heerlijk als alles je toekomt

op handen zijnde

twee mensen wandelen met gestrekte armen
zij aan zij pas
de deux wijsvingers
priemend naar elkaar

toe

een vingertoppenkus
in een glasparel

het is stil daarbinnen
verkeer huizen zon bomen grind in de berm
alles gromt door onderdruk

aan de voet van een building

een veld strakgetrokken tegels
uit de jaren zestig van de vorige eeuw
waar kleine schotsen stiekem oprijzen
die nooit hoger kunnen komen
dan de helft van hun lengte of hun breedte
(zo’n 40 cm
om precies te zijn)
voor ze omvallen
zijn ze vast alweer weggenomen

staat op zondag een krokus, roze
je m’en FUCK wacht op maandag
weet niet van maandag maar maandag komt
met zo’n twee miljoen zevenhonderdvijftig duizend
en 1 stappen die de stad een aangezicht slijten

wacht tot iemand het laken strak trekt of het doek valt
- weet niet wat wachten laken doek strekken vallen strak is -
we huren alvast een bouwfirma in voor het eerste

waar de krokus op aanraken staat de schotsen op breken
hun scherpe randen overgaan in lipzacht
waar in de aarde een stofdeeltje alles opschudt

voor alles in een keer weer op precies dezelfde plaats valt
voor je het weet

is het al gebeurd

et c’est vraie
ça n’existe pas

het is niet meer dan wat het is

zoeken naar oneffenheden in het speelvlak

Technorati Tags: , , , , , , , ,

--
Posted by Arne S. to Poëzie - Het begin van de snedetocht at 8/15/2006 08:57:08 AM

8.8.06

[Kritiek - Poëziekritiek] Cellulitis. Over de gedwongen vrijheid van auteurs

[The] books are finished. Which fascinates and irritates me. I will have to account for them. I will have to say things, answer questions. Things will be thought about them, and positions taken. What a pain! There will be consequences.
I feel like scrunching myself up into a little ball, becoming tiny, putting an end to this whole politics of presence and prestige. Stay in a corner with little things that don't interest anyone. To such an extent that I almost blame Gilles for having dragged me into this mess.
Until now I could talk, then turn my back on whatever I was saying. I was never really engaged. Now, everything has to be accounted for and people will hold me up to what I'm saying. The field is unified. The plane of consistency of writing doesn't let anything go, every blow is counted. It's something that fucking sends death right up my spine. Up until now, I could hide using all kinds of avoidance behaviorisms. But now, everything is inscribed.

-- Félix Guattari (geciteerd door Jeroen Mettes in deze post)


de citaten van Guattari (zie hierboven) en R.A. Cornets de Groot (kijk hier) doen me denken aan een beeld uit de openingssequentie van Genesis. Da's de laatste film van Claude Nuridsanny en Marie Pérennou, de makers van Microcosmos.

De film begint met een close-up van een soort kristal of celvormig weefsel. Eerst lijkt het alsof de cellen aan de rand hun eigen weg gaan en zelf hun vorm en die van het kristal / organisme bepalen.

Al snel merk je dat de cellen hun vorm krijgen door wat hen omgeeft. Ze worden geduwd en uiteindelijk min of meer verankerd door andere cellen die hen gaan omgeven. Hier en daar wijzigt hun vorm nog, maar het gevoel van vrijheid is onherroepelijk verloren.

Het neigt naar determinisme en daar sta ik - paradoxaal genoeg een aangeboren neiging misschien - wat weigerachtig tegenover. Maar het deed me wel denken aan hoe elke cel en prikkel, elke gedachte altijd in beweging "wordt gezet" en "in beweging zet". Reactie-actie dus.

Wat dit nog met Guattari te maken heeft: het besef dat je je plotseling als cel / punt in zo'n dwingende omgeving beweegt waar je door iedere kleine beweging zelf weer vorm aan geeft, maar waarvan je altijd vermoedt dat jouw beweging is ingegeven door een beweging van buitenaf.

Auteur / acteur / mens / personage / mythe

Van Mulisch heb ik enkel De aanslag en Hoogste Tijd gelezen. Vooral in het laatste boek becommentarieert Mulisch de relatie tussen auteur en beeld dat de auteur van zich ophangt. En dat in de vorm van een relaas over een acteur. De verwijzing naar "The Tempest" houdt daar ook verband mee. Van "the tempest" wordt wel eens gezegd dat het Shakespeares meest autobiografische stuk is, in die zin dat hij er uitspraken doet over zijn rol als auteur, als kunstenaar, als mens en als personage.

Rutger schrijft
dat een auteur weerstand moet bieden tegen de eis om zich, zonder gelaat, te verklaren en te verantwoorden ten overstaan van de goegemeent, die geen onderscheid maakt tussen het beeld dat de auteur van zichzelf heeft gemaakt, en diens vlees en bloed. Eist hij dan dat een auteur zijn gezicht moet tonen (zoals Jeroen Mettes gelezen heeft) en een mythe (door hem gecreëerd of door de goegemeente?) moet doorprikken?

We love (the) art(ist)

De hele discussie over de stem van de auteur buiten het werk om, houdt verband met een pamflet van de Vlaamse kunstcriticus Frank Vandeveire. In "I Love Art, You Love Art, We All Love Art, This is Love." (link) trekt Vande Veire van leer tegen een soortement kunstestablishment dat de mythe van de (hedendaagse) kunst in ere wil houden. De kunstenaars die Vande veire viseert, houden de mythe in ere door er zogezegd het zwijgen toe te doen.

"De uitholling van het kritische bewustzijn, de reductie van de kritiek tot een pose waarmee men laat zien dat men zich wijselijk van elke articuleerbare visie onthoudt, gaat onvermijdelijk gepaard met een sacralisering van de kunst. [...]Heel veel hedendaagse kunst lokt, vanwege haar retorisch karakter, die sacralisering uit. [...]De hedendaagse kunst is postconceptueel en blijft, of ze dat nu wil of niet, getekend door de conceptuele argwaan tegen het beeld en zijn al te schone of pakkende verschijning. De conceptuele kunst saboteerde de herkenbaarheid van het kunstwerk, de al te gemakkelijke identificatie, de onmiddellijkheid van de emotie.”

“Voor de postconceptuele kunst kan dit alles blijkbaar weer - zij het met ‘ironie’. Ironie is een term geworden waarmee men alles kan legitimeren: schaamteloze retoriek en effectbejag, lukraak geciteer, gekoketteer met het afstotelijke, het banale en met slechte smaak. Telkens functioneert ironie hier als een al te doorzichtig intellectueel alibi die een gebrek aan reflectie en een knieval voor de massacultuur moet rechtvaardigen. De ironische pose komt voort uit het slechte geweten van de kunstenaar die heimelijk zijn publiek wil overweldigen. Onder het mom de mythe van de kunst te ondergraven, onderhoudt de ironie juist die mythe.”

“[...]Het heeft iets gênants de kunst zo naar zichzelf te zien verlangen. Desnoods verlangt ze terug naar haar Eenzaamheid, haar grote Onbegrepenheid, desnoods verlangt ze nostalgisch naar haar sublieme Nostalgie. Het modelvoorbeeld is hier uiteraard Thierry De Cordier, door de media onvermoeibaar opgevoerd als de kluizenaar zonder God, die zich moederziel alleen onttrekt aan de blind voorwaarts strevende Tijdsgeest. Met elke beweging waarmee de kunstenaar zelf zijn mythe ‘relativeert’, versterkt hij hem. Telkens weer die perfect geacteerde naïviteit en onwennigheid, die gestileerde wereldvreemdheid. Het is allemaal zo opvallend stijlvol en gemaniëreerd dat velen deze hele romantiek verkiezen te zien als een ironische schijnbeweging, liever dan dat ze durven toegeven dat het wel degelijk gaat om een nogal groteske reanimatie van de romantiek."

Tais-toi et sois bellettrie

Vande veire heeft het over een ironisch zwijgen dat een gemakzuchtig zwijgen verhult. Het is een zwijgen waarvan Vande Veire vermoedt dat het in stand gehouden wordt om de mythe van het kunstwerk/de kunstenaar overeind te houden, onder andere uit economische overwegingen.

Daar zit je op een dunne grens. Volgens Jeroen Mettes is het gevaarlijk om te eisen van een kunstenaar dat die zijn gelaat toont, maar in de gevallen die Vande Veire aanhaalt, is er wel iets voor te zeggen. Want waar hij - in zijn overigens veel te wollige essay - op doelt, is dat de kunst ondertussen het schouwtoneel geworden is van een stel romantische kwakzalvers. Het "Tais-toi et sois belle" dat enkele honderden jaren geleden nog aan de kunst werd opgelegd, legt de kunst nu zelf op aan het publiek, aldus nog Vande Veire.

Iets over eieren en kippen

De kritiek van Vande Veire botst op tegen de voorstanders van autonome kunst. Logisch, ze daagt net de paria's van die kunststroming uit. Kunst is - als je het beeld uit de film Genesis erbij haalt - niet autonoom. Het stelt niet zelf de wetten op, zo lijkt het.

En toch, toch is het niet enkel de auteur die bepaalt wat een kunstwerk kan, mag of moet zijn. Het zijn ook de lezers, kijkers, de omgeving die een kunstwerk vormen. Heb je daar een auteur voor nodig die zich moet identificeren, die zijn of haar gezicht toont en tegen de goegemeente in zijn of haar eigen beeld voortdurend corrigeert?

Celroest: l’avant vs l’après

Guattari's reactie verheldert veel. Hij voelt er zich niet gemakkelijk bij dat hij vóór zijn werk geplaatst wordt, dat hij dus tussen het werk en de lezers moet gaan staan. Het is voor hem niet minder dan een existentiële kwestie. Het bevraagt de identiteit van kunstwerk, kunstenaar en kijker/criticus, alsook de relatie tussen die drie.

Het is een vraag naar hoe deze drie elementen of cellen in het weefsel passen uit de openingssequentie van Genesis. Als kunstenaar kun je je niet onttrekken aan het weefsel zoals het in Genesisgetoond werd, “het groeit jou”. Maar als kunstenaar kan je wel iets lanceren of maken dat de groei van het weefsel beïnvloedt. Er is een kunstwerk dat uit jou groeit. Moet je dan de vormgever/auteur volledig kennen om met het kunstwerk aan de slag te kunnen? Ook wanneer je zelf als criticus of deel van de goegemeente de vorm van die ene cel die het kunstwerk is, deels nog beïnvloedt en misschien zelfs vastzet? Hebben wij het recht om het ware gelaat van de auteur te eisen? En heeft de auteur de plicht om dat gelaat te tonen?

Kan je überhaupt nog over iets spreken als recht en plicht als je slechts een onderdeel bent van een reusachtige biomechaniek?

Ik moet het antwoord schuldig blijven. Ik kom er niet uit.
De vergelijking is blijkbaar vastgelopen in een teveel aan cellen.

Jeroen Mettes
Rutger Cornets de Groot


Technorati Tags: , , , , , , , , , , , , ,

--
Posted by Arne S. to Kritiek - Poëziekritiek at 8/07/2006 04:48:20 PM

[Poëzie - Angelus] Anten

trommelvlies druist in met stilte tegen
een gsm trilt zeven maal zeven berichten
het wordt fluisterstil alle oren zijn gericht op haar
haar gezicht wordt gemeten met meerdere ogen
en niemand die ziet hoe het glas zich kromt in de ramen
hoe de verf na jaren en één dag barst breekt
geen grond geraakt scherven dwarrelen zacht
de tijd heeft de zuchten al uit het schilderwerk gehaald
een muis die langs de randen van de kamer loopt
van de muur hoef je niets te vrezen
houdt even halt verheft zijn kopje verstoort
met snorharen wat licht en stofjes net genoeg
om eender welke blik op de toekomst te verstoren
haar wenkbrauwen strelen nu bijna haar haarlijn haar wangen
trekken naar binnen lijken uit alle macht haar strot dicht te willen slaan
zij zuigt zich vol zoals het landschap eerst ook even naar binnenplooit
voor de kernbom zich splitst, maar dan fijner
bij het zevende bericht ruikt de muis onraad recht zich het glas in de ramen
springt de verf zichzelf de bilnaad toeknijpend van de kozijnen
kantelt over haar bijna onbestaande zwaartepunt daar
nu ik het zeg is er geen verwijzen meer aan
barst zij los

men heeft er enkel nog het nakijken naar

verdwenen muizenissen.
een schoen die de schilfers tot stof verpulvert
dan weer andere schoenen die het stof mengen onder mos
meegerukt in de groeven van alweer een ander verhaal
ergens in het bos achter de feestzaal wachten voetsporen
van overspel om weer volgelopen te worden. er springt
een vonk van een haastig strakgetrokken trui het begin
van een nieuwe wereldoorlog



Technorati Tags: , , , , , , , , ,

--
Posted by Arne S. to Poëzie - Angelus at 8/08/2006 01:00:05 AM

6.8.06

[Kritiek - Poëziekritiek] Epistels over engagement in de vorm van een kruiswoordraadsel

Dit stuk is eerst geplaatst als reactie op dit artikel op www.decontrabas.com

Ik zie ik zie wat jij niet ziet?

Als een dichter in een gedicht het thema asielzoekers aansnijdt dan geeft hij of zij een visie op dat thema. Wanneer je die visie citeert en betrekt in het debat over asielzoekers doe je toch geen afbreuk aan die visie van de auteur?

Een fotokopie van de Nachtwacht in het Rijksmuseum

Doe je, als je de dichter parafraseert, afbreuk aan het gedicht? Iedere parafrase doet afbreuk aan een gedicht als je de parafrase voorstelt als zijnde evenwaardig aan een gedicht. Als je in een museum een fotokopie van een schilderij aan de muur zou hangen kun je dat bezwaarlijk als het origineel presenteren. Maar als je een schilderij in een catalogus moet afdrukken dan gebeurt het wel eens dat je het schilderij niet op z'n oorspronkelijke formaat kunt afdrukken. Of als je een thema belicht waarvan er motieven terug te vinden zijn in het schilderij, dan kun je het schilderij beschrijven en details ervan afdrukken. Dat doet toch geen afbreuk aan de waarde van het origineel?

Waarom nog poëzie schrijven zonder auteurs?


Waarom nog poëzie schrijven als het gedicht geparafraseerd mag worden, als het oorspronkelijke kunstwerk los gekoppeld mag worden van de auteur? Waarom nog kunst maken? Net omdat de parafrase altijd achteraf komt, net zoals de filosofie. Poëzie is een kunstvorm die met taal en concepten iets doet wat in de standaard-(parafrase)-taal nog niet gedaan is. Zij is vooraf. Mensen willen het unieke van die kunstwerken aan andere mensen doorgeven. We zijn, hoe egocentrisch we ook lijken, nog altijd mee-delende beesten. Als we geluk hebben, kunnen we een plaatje tonen (van een schilderij bvb) of een kopie van het gedicht. Maar een noodzaak is zo'n plaatje niet. We kunnen het ook voordragen, maar dat is ook alweer een interpretatie. Een cd'tje laten horen? En wat als er geen CD'tje is? Welk medium je ook gebruikt om iets over te dragen, het beïnvloedt de gestalte/verschijning van je onderwerp, het ‘besmet’ dat wat vooraf ging met een nieuwe betekenis.

Soms mag het snel gaan

Soms is een publiek beter af met de parafrase van een inzicht dan door het zelf te ontdekken. Spijtig? Neen, dat is eigen aan onze manier van kennis overdragen. Een groot deel van ons leven is synthese. Stel je voor dat we telkens alles opnieuw moeten bedenken en beleven voor we tot een besluit of inzicht kunnen komen dat al eens bereikt werd. Het woord vooruitgang zou niet eens bestaan (nou ja, de discussie of er überhaupt zoiets als vooruitgang bestaat, moeten we dan maar even uitstellen vrees ik).

De vormventers

Is de vormtaal geen essentieel deel van de betekenis van het kunstwerk? Ja, als je het kunstwerk ontmoet zeer zeker. Het is de gedaante waarin het tot jou komt, de gedaante die een indruk (of een afdruk) op je maakt. Wanneer iemand jou een parafrase of een kopie van datzelfde werk presenteert, dan is de gedaante anders en is het eigenlijk niet meer hetzelfde kunstwerk. Ik wil nog verder gaan en zeggen dat de gedaante van een kunstwerk na de presentatie aan de kunstenaar zelf nooit meer dezelfde is. De tijdsgeest verandert, het taalkader verandert, de conceptuele registers (de eindeloze reeksen denkbeelden) in de hoofden van de lezers veranderen. Ze zijn sowieso al anders dan die van de kunstenaar of de allereerste toeschouwer.

J'ai dit donc j'ai dit "j'ai dit". Donc?


Nonsens, zeg je, de vormtaal is het materiaal dat het kunstwerk in stand houdt. Zonder de originele vorm, geen gedicht. Iemand die parafraseert, beweert iets anders te zeggen over hetzelfde. Maar zegt die wel hetzelfde? Ja en neen. Je kunt beweren dat je in taal niet hetzelfde kunt zeggen als een gedicht zonder het gedicht te citeren. Je kunt dan ook geen Manet schilderen zonder een Manet na te schilderen. Ai, there’s the rub.

Het materiaal waarmee de dichter gestalte geeft aan zijn kunstwerk is hetzelfde als dat waarmee wij communiceren óver dat kunstwerk. Je zit dus met een dilemma tussen a) het kunstwerk communiceren en b) over het kunstwerk communiceren. Hoe je dat dilemma zou moeten oplossen weet ik niet. Ik weet zelfs niet of het opgelost moet worden.

Terug naar de Manet. Iemand kan in zijn of haar schilderij wel een element uit een schilderij van Manet citeren. Intertekstualiteit, dus. Beide kunstenaars kunnen het daarbij over hetzelfde onderwerp hebben, met een gelijkaardige visie. Doet dat afbreuk aan het origineel? Nee toch? Shakespeares’ teksten zijn pure parafrase en citaten, maar je kunt het bezwaarlijk rotzooi noemen. (Ach ja, doe het toch maar, al was het maar voor de lol.) En ondanks het vele leentjebuur spelen zijn Shakespeares teksten toch Shakespeares teksten. Ook al wordt er gefluisterd dat meneer William hulp gehad zou hebben van een ghostwriter.

Het Marshall McLuhanplan

Media – of dragers van een inhoud van a naar b in ruimte en tijd – geven betekenis aan wat ze dragen. Ze verstoren het origineel niet, maar ze verstoren de presentatie van het origineel bij de ontvanger. Een televisiebeeld van een hongerlijdend Soedaneesje vermindert de honger en de gruwel niet voor dat kind in Soedan, maar het vermindert wel de impact van dat gegeven. Zo is het ook met de parafrase van gedichten. Of met gedichten van slammers die plotseling in druk verschijnen. Of met CD-opnames van concerten. En toch, de ene opname is de andere niet, het ene essay is het andere niet. Grote critici en essayisten, goede cameralui en regisseurs, vakbekwame fotografen kunnen hun medium zo uitspelen dat het “origineel” ons toch intrigeert, dat het zelfs beter tot ons doordringt, ons meer beroert dan wanneer we rechtstreeks met dat origineel in contact komen.

Auteurs doen ertoe

Je kunt je dan afvragen of auteurs ertoe doen. Ik weet het niet of er persé auteurs moeten zijn. Doet het ertoe voor de poëzie? Godzijdank wel. Je hebt die auteurs nodig om die poëzie te schrijven. Of die poëzie meer betekenis krijgt of haar betekenis behoudt omdat er een naam onder staat is een andere zaak. Wie weet zijn we wel toevallige opperaars van zaken die gedefragmenteerd al eeuwen voor ons klaarliggen. Toch blijft het interessant om te onderzoeken waarom net persoon x/y iets geopperd heeft. Het evenement van de geboorte van een kunstwerk krijgt/geeft dan betekenis. De auteur, de stijl, de vormtaal, zetten ons op het spoor naar dat oorspronkelijke evenement. Als Manet nu zijn "Déjeuner sur l'herbe" zou schilderen heeft dat een andere betekenis dan in 1863.

Er Mutt Nichts

Intermezzo: stel nu dat er een superbelangrijk kunstwerk wordt gemaakt. Er is geen auteur, datering is onmogelijk, lokalisering al evenmin. Kan dit? Waar en wanneer krijgt dit kunstwerk dan betekenis? Zou het als kunstwerk herkend worden?

“Engagement is betrokkenheid” (Rutger H. Cornets de Groot)


Engagement is uiten dat iets je beroert en die beroering verbeelden, neerschrijven, uitspreken, uitzingen, … met als bedoeling anderen te beroeren. Waarom zou je anders bezig zijn met de vormtaal waarmee je uiting geeft aan die beroering? Als het toch enkel voor jezelf is, dan maakt het toch niet uit hoe je van die beroering getuigt? Neen, de kunstenaar werkt tot hij in de gedaante van de eerste toeschouwer kan voelen wat hem aan het werk heeft gezet. De kunstenaar werkt voor de Ander die hij uiteindelijk zal zijn als het werk af is. En die Ander moet het goed vinden. Wat de rest ervan vindt, hoeft er dan niet toe te doen.

Wat heeft engagement met revolutie of emancipatie te maken?

Maatschappelijk geëngageerde kunst is kunst die ofwel een verandering wil tegengaan (reactionair) ofwel verandering wil bewerkstelligen (revolutionair) in diezelfde maatschappij. Je hebt geëngageerde kunst die de heersende vorm wil veranderen en geëngageerde kunst die de visie over een bepaald onderwerp (zoals asielzoekers) wil veranderen bij de betrokken partijen.

Soms ligt de revolutionaire betekenis in een radicaal vernieuwende vormtaal. Het gaat dan om een statement van de kunstenaar die geheel tegen de smaakconventies van de goegemeente in zegt: “dit is poëzie”, “dit is muziek”, “dit is schilderkunst”, of harder nog, “dit is jullie wereld”. Het revolutionaire ligt hem in de bevreemding. Het gepresenteerde “mag niet waar zijn” of “kan niet waar zijn” en toch is het er. Het is er altijd geweest? De wereld eist dan via de kunstenaar en het kunstwerk haar plaats op tegenover onze werkelijkheidsillusies. Wat wij denken van de wereld wordt radicaal onderuitgehaald. Ik ben een optimist, dus spreek ik liever over een verrijking van ons wereldbeeld.

Kerstmaninterventie: ho, ho, ho, is kunst niet kunst omdat het nutteloos is? Ligt het maatschappelijke engagement niet daarin dat ze zich enkel met zichzelf bezig houdt? Zoiets “mag waar zijn” en “is al lang waar” en dat presenteren als “dit is jullie wereld” gaat tegen geen enkele conventie meer in. Nog even volhouden en extreem-rechts aan de macht laten komen en dan is het vast en zeker weer superrevolutionair en geëngageerd.

De inhoud als nutteloze maatstaf

Kan pure vormelijke revolutie een inhoudelijke betekenis hebben? Ja, maar het geeft niet noodzakelijk een revolutionaire betekenis aan de inhoud van het kunstwerk. Ik heb me laten vertellen dat het Eerste Vioolconcerto van Shostakovitch wat de vorm betreft behoorlijk revolutionair was. De compositie zou een schreeuw zijn tegen de onderdrukking door het regime. ’s Mans muziek is meermaals verboden omdat vadertje Stalin z’n muziek te formalistisch vond. Bij dit ene concerto heeft de vorm een revolutionaire betekenis gegeven aan het muziekstuk in z’n geheel. Geeft de vorm dan ook betekenis aan de afzonderlijke klanken van het stuk? De compositie helpt om bepaalde emoties en sferen op te roepen, dat zeker. Maar of er dankzij die compositie echt betekenis in de klanken zelf zit? Moeilijk te zeggen. Wie bij dit kunstwerk de inhoud als maatstaf zou nemen voor het bepalen van het revolutionaire karakter, zou het nooit de revolutionaire betekenis geven die het heeft.

Vechten tegen de grammatica van de vrijheid

Het probleem met onze kunst is dat strakke vormvereisten niet meer geclaimd worden door de goegemeente. Het postmodernisme heeft ze ogenschijnlijk afgeschaft. Ogenschijnlijk, want ieder kunstwerk speelt wel degelijk nog met een of andere bestaande grammatica. Omdat die grammatica’s niet zo nadrukkelijk meer opgeëist worden door het establishment, moet je het revolutionaire karakter van een kunstwerk daar niet meer zoeken.

Taal heeft nog een van de meest elitaire en institutioneel bewaakte grammatica’s in onze samenleving, al is het gegeven van een alleenheersend taalinstituut toch ook aan het verdwijnen (rel groene witte boekje). Radicaal antigrammaticaal zijn is nochtans vrij zinloos. Betekenisloos zijn is contraintuïtief aan taal, maar het is al eens gedaan. Tara boem boem. Radicaal straattaal presenteren als poëzie is ook niet bepaald wereldschokkend. SMS-gedichten weten de anekdotiek nauwelijks te overstijgen. Het lijkt wel of alle taalradicaliteit al achterhaald is. Dan maar een inhoudelijke revolutie voeren?

Goeiedag, dit is uw werkelijkheid. Prettige dag verder.

Het maatschappelijke engagement van de poëzie is dat ze zaken uit de werkelijkheid in een kunstwerk brengt waarvan de meesten onder ons denken dat ze er niet thuis horen. Het engagement van de poëzie is evenzeer dat ze zichzelf mengt in bestaande maatschappelijke debatten en er iets waardevols over zegt, dat ze extra argumenten aandraagt, dat ze nieuwe visies introduceert, dat ze kritiek of gevoelens scherper verwoordt. Geëngageerde poëzie is poëzie die zegt: dit is een deel van jullie samenleving: deal with it!

Hoe komt poëzie dan in de spotlight zodat er geluisterd wordt? Door carnavalesk als keizer een literatuurprijs af te halen? Of door een reuzengroot gedicht aan de grootste torens van de stad te hangen? Of door critici aan te manen wat beter gaan lezen wat er staat in de gedichten en de visie van de dichter als maatschappelijk relevant gaan beschouwen? Of door de dichters aan te moedigen een groter maatschappelijk engagement aan de dag te leggen? Hoe zorgen we ervoor dat poëzie weer serieus genomen wordt? Door pretentieus te zijn? Of door ambitieus te zijn? Hoe schrijven we poëzie die zo geëngageerd is dat ze toont dat ons verdraaid arrogante zelfingenomen zekerheidsgevoel gemakkelijk ondersteboven gehaald wordt? Door een bundel slechts op 1 exemplaar te verdelen en daar tonnen geld voor te vragen?

Het is 0110 voor 12

Wat als de kunst zelf het niet meer kan? Wat als het nu eens de kunstenaars zijn die het moeten doen? In Vlaanderen vindt in oktober het evenement 0110 plaats (www.0110.be). Met deze gratis concerten in Antwerpen, Gent en Brussel, willen tal van artiesten zich verzetten tegen de toenemende onverdraagzaamheid in onze samenleving. Vergis u niet, het is niet de muziek of de inhoud van de nummers die hier de boodschap brengen, het zijn de kunstenaars, de artiesten. Het is hun optreden dat geëngageerd en revolutionair is.

Revolutionair? Jazeker. Een aantal politici van de rechtse partij het Vlaams Belang vinden dat artiesten zich niet met politiek moeten bezig houden. Ze mogen m.a.w. geen politieke mening hebben. Alleen al door de reactie van die mensen is het initiatief revolutionair. De kunstenaars willen met hun initiatief duidelijk maken dat maatschappelijk engagement een politiek statement is waar iedereen recht op heeft.

Dichters aller lande, verspreid u

Ik zou nog een stap verder willen gaan en pleiten voor kunstenaars in de politiek, in het leger, in de VN-veiligheidsraad, in alle instituten die je je maar kunt voorstellen. Geen kunst dus, maar kunstenaars. Waar is de tijd dat kunstenaar Jan De Corte als onafhankelijke in het parlement zetelde? Heel juist, weg! Want dankzij allerlei opportunistische regeltjes in de kieswetgeving is het onmogelijk geworden voor individuen om op te komen bij federale of nationale verkiezingen, laat staan verkozen te geraken.

Geëngageerde poëzie heeft geëngageerde dichters nodig. Dichters die het podium bestijgen, meer nog, dichter die een podium optrekken waar het vooral niet thuishoort, dichters die de hele wereld als podium toe-eigenen. Waarom zouden we niet? Politiek, religie, commercie, … hebben zich de hele wereld al als podium toegeëigend, dus waarom ook niet de dichters en de kunstenaars? Het heeft niets te maken met schoenmaker blijf bij uw leest, maar met schoenmaker ga naar uw leest.

(Ja, de woordspeling ligt voor de hand. Wie is de eerste om hem te maken?)

Arne S.

--
Posted by Arne S. to Kritiek - Poëziekritiek at 8/06/2006 11:03:08 AM

4.8.06

[Poëzie - Angelus] Angelus - Sure Faces

It is the non-existence of my artwork that makes me.
When I break a pencil I have the power
to overcome a drawing.

Taking a walk along the river. Following endless patterns,
not streets, but stones. The whole world is surface. Content precedes
nothing more than other surfaces.

I am

is superfacial, therefore I am
the god of surfaces. God is
what would exist
if there weren't any surfaces at all

I am a tautology. I guess god
is similarly different.

There is nothing I would like to do more than making art.
Within that liking and the utter fulfilment of my desire lies my life.
I live a life as an intermission. I fall short
so others can distinguish themselves as realizers.

I have realized something. There are still the unknown of whom
I know nothing. We are
nothing but surfaces.

.We are face-ekaf era eW.


--
Posted by Arne S. to Poëzie - Angelus at 8/04/2006 11:02:39 AM