30.6.08

snapshots van het avondland: tegel.

hoe luider je roept, hoe kleiner je wordt. het lijkt een opschriftje, passend als de tien bij tien van een tegeltje met bijbehorend het moedertje-vadertje doen samen dingen in zijaanzicht. diepzinnigheid zonder dieptezicht. de vervlakking van lawaai. het heeft iets van muziek en merelgekwetter, maar dan zonder bijbehorende bedoelingen die de bedoeling zijn. te moeilijk voor een gedicht die toelichting. te simpel voor een dichter. die spreuk welteverstaan.

een keuken netjes houden is een opdracht voor het leven. het verliezen van het overzicht, de woekering van vetvlekken en de geur van schimmel in het spagettiteiltje, je zweert bij hoog en laag dat het nooit meer gebeuren zal, tekent aanvalsplannen uit, maar het enige wat je doet is je bekwamen in de aftocht. in andere, veel nettere keukens, de gesprekken kruiden met een pallet aan uitwijkmogelijkheden, regeltjes, gekweekt in de vruchtbare grond van ergernis bemest met gebrek aan zelfkennis. de grootste lul zijn is niet hetzelfde als de grootste hebben. ik zeg maar wat.

van praten word ik schor. ik schreeuw m’n kop achterna. zet woorden kracht bij alsof ze met weeën ter wereld komen. er zit geen buik aan het verhaal, geen benen aan de grond en het hoofd is te zwaarmoedig om van wolken te dromen. behalve mist is hier geen waterdamp te bespeuren. ik verlang naar het tegeltje dat ik samen met de gemoedelijke glimlach van mijn grootmoeder en haar rimpels vol relativiteit verbannen heb. wegens niet trendy. en o zo verkeerd.

Self-confidence is knowing that we have the capacity to do something good
and firmly decide not to give up. (Dalai Lama)

pantiro op de brakke verslog


Beetje zelfstoef. Pantiro staat vanaf vandaag op de Brakke Log / Verslog, het poëtische luik van de Brakke Hond-weblog. Veel leesplezier.

Arne.

22.6.08

dier 2.0

dier. met je poten in het water, zo rank dat je nauwelijks je spiegelbeeld kunt zien. er ligt een diepte die je met geen meter kunt bevatten. wat verder steekt een man een peilstok in de rivier. aan wetenschap gaat een wereld stuk.

water is twijfel. je weet niet waar je thuis hoort. een waterrijder schaatst voorbij, belandt even later op een lelieblad en wordt opgegeten door een groene kikker. het zal je maar gebeuren.

één stap verder en aan de oever geen steun meer. weet je meteen weer hoe het voelt om op je eigen benen te staan, trappelend en proestend, vechtend tegen de wortels en planten die je weer met beide benen op de grond willen zetten. je houdt ternauwernood het hoofd boven water. je vliegt, voorwaar.

tevergeefs. traag stort je neer. je zal over enkele seconden een zachte buiklanding maken. uit wat luchtbellen ontsnapt je laatste kreet. geen oor zo verfijnd om het samen te puzzelen.

daar lig je dan. foetus. morgen word je geboren. de wereld wacht op jou, fluisteren vissen en rivierkreeftjes je in het oor.

bij het ochtendgloren komt je ter wereld. een kraai kan een kreet van blijdschap niet onderdrukken. maar verder blijft het stil. geen dokter te bespeuren om het kind op de billen te slaan.

18.6.08

dier

dier. met je poten in het water, zo rank dat je nauwelijks je spiegelbeeld kunt zien. er ligt een diepte in het watervlak die je met geen meter kunt bevatten. wat verder steekt een man een meetstok in het water. aan wetenschap gaat een wereld stuk. water is twijfel. je weet niet waar je thuis hoort. een waterrijder schaatst voorbij, belandt even later op een lelieblad en wordt opgegeten door een groene kikker. het zal je maar gebeuren. één stap verder en aan de oever geen steun meer. weet je meteen hoe het voelt om weer op je eigen benen te staan, trappelend en proestend, vechtend tegen de wortels en planten die je weer met beide benen op de grond willen zetten. je houdt ternauwernood het hoofd boven water. je vliegt, voorwaar. tevergeefs. traag stort je neer. je zal over enkele seconden een zachte buiklanding maken. uit wat luchtbellen ontsnapt je laatste kreet. geen oor zo verfijnd om het samen te puzzelen. daar lig je dan. foetus. morgen word je geboren. de wereld wacht op jou, fluisteren vissen en rivierkreeftjes je in het oor. bij het ochtendgloren komt je ter wereld. een kraai kan een kreet van blijdschap niet onderdrukken. maar het blijft stil. geen dokter om het kind op de billen te slaan.

12.6.08

ik had je willen vragen

ik had je willen vragen hoe het komt de bocht in de rivier
waar de zon zich rekt om ook het verste sprietje gras te raken
voor ze weer achter de einder verdwijnt
de zachte meandering in je oksel waar ik thuishoor
de rivier zijn bedding getrouw ik
ben zo minzaam langs je heen.
liefde is de wrijving tot het uiterste beperken
erosie
is iets van jaren en af en toe ook bruut geweld, maar vooral
liefde is waar anderen op voorbij varen
en waarlangs een kind
zich van geen kwaad bewust
de scheepjes telt

11.6.08

dus je wil weten waar ik was?


dus je wil weten waar ik was? terwijl je het vraagt neem je een kopje bij het oortje en slaat het stuk op het schoteltje. je wijst in mijn richting, het oortje nog rond je vinger. een huwelijk is gauw gesloten. een ongeluk al even snel gebeurd. zwarte tranen verzamelen zich rond de voet van het verminkte aardewerk. andersvalide, kop met beperking. wat zou het? alles heeft betekenis.

ik wacht niet op je antwoord om je tegen te spreken, begin de openingsdans alvast op mijn eentje met een mars in vier, struikel pardoes over een wals – in drie, uiteraard – en val trappelend in een duizelingwekkende tweetellen harteklop hals over kop tegen de tafel op. waar was je gisteren tussen vijf voor en twaalf?

schrijf je vraag nou even op, raad ik haar aan. toe maar, pen hem neer in een dagboek dat je binnen twintig jaar terugvindt op de zolder waar je de kleren bewaart waarmee je je heldendaden staaft tegenover het zesjarige meisje met haar vlashaarvlechtjes en bloemetjesjurk – alles aan haar is lente – dat je vraagt: “mama waarom leven wij”? terwijl ze eigenlijk bedoelt: “waar zijn nu die kleren die oma voor jouw pop had gemaakt?” je hebt ze net gevonden. maar van het stiksel blijft niets meer over.

lieve schat. er is niets dat ik kan zeggen om het kopje te herstellen. niets dat de koffie voor de kilte en het afvoergaatje behoedt. je huilt en zegt zie je wel ik wist het ik wist het ik wist het. je adem ruikt nog naar sigaretten van gisteren. ik mis de rook die het tasten draaglijk maakt, het strompelgeluk en de dronkemansgebaren een choreografie, troost voor onbeholpen meerwaardezoekers.

ontsnappen is al sinds jaar en dag niet meer mogelijk. ik verzin dan maar een uitweg. ter plekke. het is tien voor. er zit een scheur in het behang, net onder een bloemknop die al vijftig jaar niet van verwelken weet. de spits van de bezoekende ploeg vindt een opening in de verdediging en scoort. een kantelmoment in een belangrijke wedstrijd. de stem van de commentator slaat over. varkensblaas die over krijtlijn rolt. tweeënveertigduizend mensen in extase. onze waterschildpad haalt voor de tienduizendste keer adem. en ik denk aan de laatste ademhaling van de passagiers van het tweede vliegtuig net voor het zich in de tweelingtoren boort.

dan, fluister ik in haar oor, ben ik zoek geraakt. bel me als je me gevonden hebt.

10.6.08

geen bijwoorden vandaag


geen bijwoorden vandaag. geen toegevoegde waarde of koopkrachtverhoging. betogen tegen het recht op zelfbeschikking als een mooie misdaad tegen de menselijkheid. je moet puber worden om het te begrijpen. een australiër fluistert in zijn wc-pot: de wereld staat op zijn kop en ik word er niet beter van. opportunisme is van alle tijden en markten thuis.

gekheid aan een stokje, ijslollieleugentjes om bestwil waar je je suf aan likt, roze-geel-en-blauwtong zonder gevaar voor de volksgezondheid. het houtje gaat zonder poeha en pardon de vuilbak in of de straat op. nu niets nog van betekenis is, is alles van belang. als ik kon, ik zou er een grafschrift van maken, maar wat baten woord en spel als je enzovoort weet je weet je wel.

geen priester preekt nog zonder woorden die op bijstand rekenen, geen liefde gaat zo hard tekeer zonder aangekoekt gelul. zelfstandige naamwoorden zijn de naam niet eens meer waardig. we zijn zo uitgesproken jij en ik. zo tot op de dag van vandaag nauwkeurig geworden. hoeft het nog gezegd.

je hebt je handen in je zakken, je voeten in je schoenen, benen in je broek, je kut in je slipje, borsten in bh en bovenlijf en armen in een slobbertrui, je oren en bij uitbreiding je hoofd in een muts. de hele wereld staat op aanraken. het mag niet waar zijn. laten we daarmee beginnen wanneer ik je iedere avond opnieuw uitkleed.

taal als afstandsbediening, geen metafoor meer om volwassen te worden maar stukje technologisch plastic verpakt in piepschuimblokjes en huisje van karton, voetnoten hebben het gehaald ga maar na, bij bloggers staan ze steevast van boven. uitleggen en peetjes tekenen. vlaams voor beginners.

maar ondanks alles. één ding blijft zeker. het mag gewoon niet.
het mag gewoon niet. waar zijn.

9.6.08

voorsmaakje: duras


Het volledige gedicht vind je in het volgende nummer van het literaire tijdschrift Dighter. De tekst is een antwoord op een mini-essay van Herlinda Vekemans over Duras en haar ideeën over het schrijverschap.

verbind met ander netwerk

ze heeft zonder het te weten een valstrik gelegd. maar wat zou het? vandaag is alles zo www als het maar zijn kan. kan het zijn? kan het maar zijn? vraag je je af, terwijl je god weet welke gedachten even probeert te bannen, je je blik ten slotte toch vol verwachting ten hemel richt, eeuwig blauw scherm, zelfs daar geen foutmelding te bespeuren.

een kraai pixelt je gedachten. je knippert met je ogen. als een mens alle milliseconden knippering optelt, hoeveel dagen van zijn leven is hij dan blind? je sluit je ogen, voorgoed, maar dan in 5 minuten, probeert rebels zijn op de tast even uit, zo traag dat de wereld haast vanzelf in beweging komt.

(wordt vervolgd in Dighter)