10.5.13

Welterusten

Je ruimt de tafel af. Vult een kookpot met aangekoekte kaassaus tot de rand met water.
Om te weken. Je schept wat orde. Gooit droge boterhammen in de vuilnisbak.
Voor de helft opgegeten. Voor de andere helft vergeten.
Je haalt de jas van de keukenstoel en loopt de gang in.
De hanger piept wanneer hij over de stang glijdt. Je hart
Gaat even sneller slaan. Je wil niemand wakker maken, toch?
Terug de keuken in. Daar op het vuur staat nog een pan.
Voor je het licht uit knipt denk je:
Het kon wellicht beter.
Iedere avond ruim je de keuken op.
Zet je de dingen klaar.
Voor wat? Voor wanneer? Voor waar?

0 Jij krijgt het laatste woord.: