Soms wil ik mijn thee uitdrinken en zeggen:
"Ik stop ermee. Ik word clown."
Maar het moeilijkste
aan clown worden,
zo heb ik na al die jaren theedrinken geleerd,
is beginnen. Het circus, het publiek, de schmink,
het licht, de truukjes, neus en schoenen,
daar ligt het niet aan, dat groeit er wel aan
met de jaren.
Maar je moment kiezen, of beter,
het moment dat jou kiest
en dan weten dat het zover is
het herkennen als je in de spiegel kijkt
of beter,
als je een spiegel voorgehouden wordt
net op het moment
dat je woedend je kop
door de kamer hebt gekeild
nadat je wat thee gemorst had
op je kraaknette pak
en je vrouw je aankijkt met een blik van
"Ben je nu helemaal gek geworden?"
je het niet zeker weet of je nu
moet huilen of lachen.
Dan.
Dat is het moeilijkste.
Poëzie is het doen
omdat je weet
dat het straks misschien niet meer kan. Gewoon,
zomaar.
Zoals de acrobaat nog iedere avond zijn vrouw
boven zijn hoofd tilt, na meer dan vijftig jaar
en één dag. En morgen misschien twee.
Of zoals de clown die met grootse schoenen
de kleinste kruimel uitdaagt
om hem te doen struikelen
om dan in stijl te vallen
en hoogmoed en noodlot vakkundig te herleiden
tot een detail
waar je met de glimlach aan voorbij gaat.
Misschien is dat ook het mooie aan mislukken,
dat het zo ook kan.
En wanneer het dan gebeurt,
dan is het maar dat. Gewoon gedaan,
zomaar. Leven is het doen
in stijl omdat je weet dat het straks misschien
niet meer kan. Gewoon.
je zou kunnen denken
ze dronk een glas
rode wijn
van die hele diepe
waarin zelfs een woord
als aarzelen
ternauwernood kan opborrelen
en ze proestte
omdat ze een kreet wilde slaken
van 'het zal toch niet waar zijn
zeker?' van vreugde om de vrijheid
om daarna met haar ranke vingers
de achtergebleven druppels van haar onderlip te vegen
haar ogen onbeweeglijk op het schouwspel gericht
ze schieten langzaam vol
links biggelt een eerste traan over haar met blos begeesterde wang
verzoent zich met een druppel wijn
en valt, na even aan haar kin gebalanceerd te hebben
n
a
a
r
b
e
n
e
d
e
n
.
je zou kunnen denken
ze dronk een glas rode wijn
als je niet wist
er is zopas een kogel door haar hart gegaan.

ze zit tegenover me in de trein. de dame met haar pincet. op haar schoot ligt een boek. ze leest. al kan ik dat moeilijk geloven. want met haar ene hand speurt ze voortdurend haar gezicht af op zoek naar zonevreemde haartjes en samenzweerderige puistjes. haar andere hand blijft standby, pincet in de aanslag. klaar om in te grijpen wanneer het nodig is.
volgende pagina. daar gaat het pincet naar haar kin, knijpt ongenadig in onzichtbare boosdoeners terwijl ze met haar andere hand blijft speuren naar lijfeigen ongedierte. ze trekt en knijpt en tast en trekt, knijpt, tast, trekt, knijpt, tast en pulkt diep in haar neus. verwijdert een snotkorrel. met haar andere hand trekt ze schijnbaar lukraak haren uit haar hoofd en strooit ze op de grond, samen met de snotkorrel. hier wordt niet getalmd. ze pulkt en ze strooit. en pulkt en strooit. pulkt en strooit, pulkt en strooit, pulkt, strooit, pulkt ... en knabbelt. en slikt. en trekt weerom haren uit haar hoofd.
mijn armen verkrampen. ik wil haar slaan. ik wil haar zo hard slaan. ik wil met haar pincet alle haren op haar lichaam uittrekken. alle zichtbare en alle onzichtbare waar haar pincet zich aan vergrijpt. haar reepje per reepje ontvellen. ik schrik van mezelf. wat is er aan de hand? waarom ben ik toch zo geïrriteerd?
ik wil dit niet zien. sluit dan maar de ogen. voor even maar. niemand heeft het recht om mij de ogen te sluiten, roep ik tegen mezelf. en als om me te treiteren haalt mijn medereizigster haar make-up spiegeltje uit haar tasje en begint ze, haar hoofd schuin voorover gebogen, haren uit haar kruin te trekken.
ze zouden mensen moeten verbieden om zichzelf te verminken in naam van de schoonheid. schoonheid. wat voor schoonheid. ik betwijfel of ik ooit op haar zou kunnen vallen. de dwangmatigheid waarmee ze zich te lijf gaat maakt haar bovendien nog afstotelijker. maar het zal haar een zorg wezen. ze heeft enkel oog voor zichzelf. en hoe fanatieker ze zich te lijf gaat, hoe meer ik ervan overtuigd raak dat ze ergens onderweg zichzelf is kwijtgeraakt. hoe ze ook trekt, pulkt, tast, schaaft of epilleert, de dame die ze in gedachten heeft, weigert te verschijnen.
stilaan begint het me te dagen. de dame tegenover me is een zelfmoordterroriste. zo eentje van het soort dat in naam van de denkbeeldige schoonheid terreur pleegt op haar eigen lichaam.
haar hele verschijning gaat gebukt onder haar martelgang. ieder haartje, iedere porie, iedere huidplooi en iedere pigmentvlek, alles staat stijf van de stress of trekt bleek weg wanneer ze in de spiegel kijkt of wanneer ze haar handen op strooptocht stuurt. hoe agressiever en driester ze te werk gaat, hoe groter het slagveld wordt. en hoe verbetener ze opnieuw haar lichaam begint te mismeesteren. en dat allemaal om zich koste wat kost te ontdoen van haar zogenaamde monsterlijkheid. arme, arme vrouw.
anders dan bij de kamikazes met springtuigen op hun lichaam valt zij tergend traag uit elkaar. haar explosie is een verhaal van jaren. haar per haar, huidcel per huidcel, snotkorrel per snotkorrel, stofje per stofje, strooit ze zichzelf de wijde wereld in. tot er niets meer over blijft en haar verdwijning uiteindelijk de mooiste verlossing is die ze de mensheid kan schenken. uitgerukt, weggepulkt, weggestrooid. als god bestaat, dan bewijst deze dame dat hij of zij een ongelooflijke klootzak is.
mijn lust om haar aan haar eigen pijniging te onderwerpen is ondertussen bekoeld. ik begrijp ook waarom ik zo kwaad was. alles aan haar lichaam smeekt om hier een einde aan te maken. die noodkreet negeren doet onmenselijk veel pijn.
we komen aan.
ik maak me klaar om te vluchten van de plaats des onheils. te laat. ze is me voor. ze neemt haar spullen en loopt snel het gangpad door, naar de uitgang, onophoudelijk verder exploderend. wanneer ik even later op het perron sta, is ze verdwenen. ik vraag me af of ze ooit zal zien wat voor een prachtvrouw ze eigenlijk is, voor het te laat is. een prachtvrouw die niemand ooit zal zien zolang ze niet eerst eens liefdevol naar zichzelf kijkt.
Aan antwoorden ben ik niet besteed.
Ik heb er de vragen niet voor.
Sta me toe om geen excuses te zoeken.
“And it makes me float free, to feel
how small my life must be”
zingt mijn vrouw
terwijl ze zich afvraagt:
hoe gek is het leven eigenlijk?
wij zijn aan elkaar
gewaagd,
als veranderling
zullen wij nooit meer dezelfde zijn
dan blindgangers
afgevuurd in spiegels
met spiegelneuronen
als onvermijdelijk uitwijkmanoeuvre
altijd en overal
gelukkig maar