31.3.07

Snapshots van het avondland: strandt.

Schepen tot stilstand. Je staat aan een overkant - ik weet dat bereiken nu geen zin meer heeft. Het water weg. Het stof aan de wereld uitgekeerd. Het gekabbel verstild en verdicht tot roestscheur- en staalgekraag. Rubbersterfte alom.

Een inwaarts spreken, meer kan ik niet tot je richten.

Je houdt je rechterhand omhoog.

Zwaaien. Alsof je me wilt tegenhouden. Aan jouw kant van de dag
wordt het eerder donker.

Laten we vluchten, laten we het water zoeken. Ik wil je overhalen. Maar al bij de eerste stap snijd ik mijn hiel aan de restanten van een pont.

Wie zal mij nu nog tegenhouden? Er is tijd nodig om de wonden te helen.

Het zand op de duinen moet nog in glas gevangen, het gedroogde vlas gevlochten tot koorden, de karkassen opgeblonken tot tempelgeraamtes, de scheepsbellen in klokkentorens, de ankers gelicht, alles op wieltjes en dan de aarde weer in beweging zetten.

Auto’s heffen aan. Het licht op groen zuigt de schimmen aan, stuurt verkenners uit, straks wordt dit hier avondland. Zal ik vergeten zijn. Mijn weg gebaand, gedwee. Gedogen. Achter mij een groet die je hand in beweging zet, je blik steelt het geruis

een andere wending doet nemen.

We maken slagzij. We maken water.

Mijn kreet komt pas morgen aan de oppervlakte. Een merel zal verschrikt opvliegen. Je zal versteld staan van zoveel beweging aan de hemel op een brakke dag, een braakliggende ochtend.

Een godgeklaagd verschijnsel.

0 Jij krijgt het laatste woord.: