31.7.07

bengelbewaarders en woordontleners (fataal voor de antitussentaal)

,,Goodday. You still owe me a word. You borrowed it from me some hundred years ago. I’d like to have it back.
Oh, you can’t find it anymore? Don’t know what it looks like? Me neither. I remember my grandmother using it but it sounds a bit odd to me. Still my neighbour told me you’re still holding on to some of his most popular phrases. And there’s this terrible s-word your son uses all the time. They are all ours. Will you please return them to me before we run out of synonyms?”

Ooit al iemand een leenwoord horen terugvragen? Niet dus. Voor taalpuristen zijn ze een pest. Zij vinden het een vorm van luiheid. Geen inspiratie genoeg om een waardig Nederlands alternatief te zoeken. Aan hun leenwoordenhaat hangt meestal ook een merkwaardig andersglobalistisch kantje. Het Angelsaksische ongebreidelde kapitalisme moet gestopt worden. Voor we het weten is onze taal vergeven van het Engels en spreken we muscles nog fish. Whatever.

Honderd jaar geleden was het dat verdomde Frans dat ons Nederlands de nek zou omwringen, nu is het het Engels en over duizend jaar rappen we waarschijnlijk in het Chinees én in het Nederlands. Duizend noedels en garnalen nog aan toe. Alsof het ooit anders is geweest.

Met de dood voor ogen
Als student Nederlands werd ik op straffe van een flinke onvoldoende verplicht om me te bekeren tot het leger dat de tussentaal een halt zou toeroepen. Tussen-taal, u weet wel, dat verloederde broertje van het Standaard Nederlands dat zich naar eigen goeddunken bediende van alle taalmiddelen en alle registers tegelijk. In internettermen heet zoiets de evolutie van Web 2.0. Fenomenen als Youtube, Myspace en Wikipedia leven op user-generated content. Maar niet het Nederlands. Wat had u gedacht?

In stoffige boeken – die we overigens gretig volkleurden met markeerstiften en potloden – stonden ellenlange rijen van woorden in het gareel tegenover woorden die genadeloos met asterisken geëxecuteerd werden. Alsof er op voorhand een kruisje op je voorhoofd werd getekend om je eraan te herinneren wat je lotsbestemming zou zijn als je het ook maar durfde te wagen om een woord of zinsnede verkeerd te gebruiken.

Mijn hot, een bastaard!
Mijn bekering is geen succes geworden. Als Gentse zoon van twee ingeweken West-Vlamingen en kleinzoon van drie West-Vlaamse grootouders én één rasechte Gentbrugse grootmoeder, allen zonder ook maar een greintje verstand van Standaard Nederlands, had ik geen flauw benul van hoe datzelfde Standaard Nederlands in elkaar zat. Mijn grootouders waren middenstanders, volksmensen die zowel met de lagere als de hogere middenklasse en de burgerij overweg moesten kunnen. Met de eerste twee spraken ze een gekleurde variant van het Nederlands of gewoon dialect. En met de laatste een protserige versie van het eerste of gewoon Frans, dat was gemakkelijker.

Mijn ouders zouden het anders aanpakken. Geen middenstandersgedoe, geen overuren in de eigen winkel kloppen, maar verder studeren en de wereld verkennen. Van Knokke-Heist naar Gent dus. En de kinderen zouden mooi praten. Wat heet 'mooi praten' bleek achteraf één van de zuiverste varianten van de tussentaal te zijn. Niet dat mijn ouders niet hun best deden om hun roots uit hun taal te bannen. Maar het was allemaal zo onnatuurlijk en gekunsteld. En ze vielen regelmatig door de mand.

Ik moet een jaar of acht geweest zijn toen ik voor het eerst besefte dat mijn ouders ruzie maakten in een ander taaltje (het taaltje dat ik ieder weekend bij mijn grootouders hoorde). Ik vond het grappig en nostalgisch tegelijk. Het deed me denken aan oma en opa, én mémé. Het zou me nog eens tien jaar kosten om te horen dat mijn grootmoeder haar Gents nooit achtergelaten heeft, ook al was ze al ruim zestig jaar geëmigreerd naar Knokke-Heist.

Huisje-, tuintje-, keukentaaltje
Maar mijn Nederlands dus. Dat woekerde gezellig voort en ik voelde me er goed bij. Het is als met onkruid in een tuin. Als je altijd in een wilde tuin gewoond hebt, vind je al snel alles mooi. Ik ben een opportunist. Ik heb geleerd heel wat tuinen mooi te vinden. En ik heb een gloedhekel aan onkruid wieden, omdat ik het een onzinnige bezigheid vind. Het groeit toch terug en meestal is het resultaat – een nogal steriele tuin – ontmoedigend snel weer om zeep. Mijn ouders vermoedden achter mijn smoesjes waarschijnlijk een zekere vorm van intellect en vernuft om mijn luiheid te verdoezelen. Wie zal het zeggen?

Niet dat ik niet hield van het toenmalige ABN of Algemeen Beschaafd Nederlands (voor die B kan ik nog een pak alternatieven verzinnen, maar ik vermoed dat dit de serieuze toon van mijn verhaal zou verstoren). Ik was er warempel verzot op (nou breekt uw klomp?). Ik bekte het maar al te graag na. Het bewijs staat op een zorgvuldig verborgen en verloren gelegd cassettebandje. Wie het ooit te pakken krijgt, zal horen hoe een vijfjarige ik het hele verhaal van het Oinkbeest afdramt en –zingt in een onberispelijk NoordHollandsachtige variant van het ABN.

Oink? Let the beast go!
Het Oinkbeest is een nogal futuristisch sprookje over maanwezens, kabouters, elfen en meer van dat fraais. Onze al even futuristisch ogende vintage-kleuterjuf (juffrouw Wies) had het fantastische idee opgevat om ons dit verhaaltje aan te leren zodat we het met alle kleuterklassen samen ten berde konden brengen op het jaarlijkse schoolfeest. In alle bescheidenheid moet ik zeggen dat de vertoning een enorm succes was. Als opperoinker had ik de maanden voor mijn podiumdebuut uren lang teksten van een plaat moeten napraten. Op de dag van de waarheid was het niet anders. Toch handig als je een souffleur hebt die de hoofdrol vertolkt.

Die avond zat ik met mijn ouders vrolijk na te genieten van mijn succes. Ik vermoed dat ik die dag drie centimeter gegroeid ben, al zal dat nooit bewezen kunnen worden. Mijn haar en nek werden danig op de proef gesteld door al het gewrijf over mijn kopje. Mijn wangen zagen bloedrood van de knepen en ik begon te vrezen dat ik in een boxer zou veranderen als ze niet snel mijn smoel zouden met rust laten. Dan maar de grote middelen boven halen. En dus begon ik doodleuk het hele verhaal opnieuw ten berde te brengen. Het werkte. Iedereen verstomde. Tot mijn vader als een gek achter een cassetterecorder en een microfoon aan ging. En de rest is geschiedenis.

Na al die jaren doet mijn moeder soms nog nostalgisch over dat bandje. Vooral wanneer ze hoort hoe mijn mooie Nederlands van toen verbasterd is tot een sappig Gentskleurig (keurig?) Nederlands. Het heeft niet mogen zijn, de vele Nederlands gesproken Lecturamasprookjes en andere cassettebandverhaaltjes ten spijt. Naäpen kon ik als de beste, maar het was een beetje zoals zingen. Ik wist bij god niet wat ik zong, ik zong het gewoon maar na, of het nu Antwerps, Limburgs, Noord-Hollands, West-Vlaams of Gents was. Nu nog heb ik de vreemde gewoonte om met mensen mee te praten. Ik ben allesbehalve dialectvast.

Behaaggrage taalkameleon
Uit mijn studie Nederlands heb ik dan maar afgeleid dat ik dit doe om te behagen. In een documentaire hoorde ik Desmond Morris eens beweren dat we de houding en het gedrag van de ander soms onbewust nadoen om zo de communicatie te vergemakkelijken. Het stelt de ander op z’n gemak. Bingo, dacht ik, een sociaal wezen, weliswaar met een misschien wat overdadige neiging om te behagen.

Rebel zoekt oorzaak om gerechtvaardigd te zijn
Als je iemand zoekt die tussen alle mogelijke taaltjes die het Nederlands rijk is geboren en getogen is, dan mag je altijd eens bij me langs komen. Ik kan nu wel stoer doen, maar ik moet toegeven dat ik me af en toe wel eens geneer. Aan de universiteit keek ik op naar die mensen die vol overtuiging konden zeggen: ja, dat is goed of ja, dat is absoluut fout terwijl ik zoiets had van: “Hoezo, fout? Dat zegt toch iedereen?” Het had iets vrijmetselaarsachtigs. Als je het onderscheid kon maken, dan werd je toegelaten tot de broeder en het (vooral) zusterschap van het Algemeen Nederlands.

Gevonden!
Elk nadeel ep se foordeel, om het met Cruijff te zeggen. Dus ook dat nogal vreemde onbenul van Standaard Nederlands. Sommige Standaardtalige uitdrukkingen waren me zo frappant vreemd dat ze me altijd zijn bijgebleven. Een beroep doen op in plaats van beroep doen op, gewoon omdat ze in het Frans “faire appel à” zeggen. Totaal onzinnig als je het mij vraagt. Het verschil tussen noemen (de naam geven) en heten (als naam hebben) vond ik dan weer bijzonder zinvol. Maar eerlijk gezegd kon ik er vaak geen touw aan vastknoppen. Met als gevolg dat ik, net zoals heel wat andere Vlamingen, een ongezonde taalangst gekweekt heb.

Zot zijn doet zeer. En da's maar goed ook.
Gek als ik ben, heb ik dan maar van mijn grootste onmogelijkheid mijn beroep gemaakt. Eerst ben ik in de journalistiek terecht gekomen om dan vervolgens als copywriter aan de slag te gaan. Broodschrijver worden met een doorgewinterde tussentaalkwaal, hoe kwaad kun je het krijgen? Kwaad. Geloof me, ik leerde al snel dat het niet zo erg met me gesteld was als ik eerst vermoedde. Ik had wel degelijk iets geleerd tijdens die vier jaar aan de universiteit. Het kon altijd nog beter en dus wilde ik al professioneel spelend – ik neem mijn werk heel erg serieus – mijn taal nog meer verfijnen en ten dienste stellen van het volk (en mijn werkgevers en hun klanten).

Toujours à l'improviste
Wie copywriter wordt, moet één ding goed beseffen. Een goede taalkennis is onontbeerlijk, maar het maakt je geen goede copywriter. Een liefde voor taal is veel belangrijker. Wie niet kan spelen en improviseren gaat beter op zoek naar ander werk. Of je bent zo koppig als ik en doet gewoon je zin (wat meestal toch het beste is).

Nu hoor ik u al denken: ja maar, om goed te improviseren moet je eerst de basisregels kennen. Know the laws before you break them. Dat is het hem net. De taal is een uit improvisatie voortgekomen fenomeen. Het is geen vaststaand verschijnsel. Het leeft en men improvisere het voort. Door te improviseren leer je én de standaard én de improvisatie kennen.

Wie goed wil kunnen improviseren, moet kunnen luisteren en lezen. De taal moet je verwonderen, moet je boos maken, moet je doen vloeken, je tong afbijten van nijd en je doen wegkijken van minachting. Het moet je blik kunnen vasthouden, je gek maken en je aanzetten tot de meest idiote en onzinnige teksten. Je moet een lefgozer worden, een speelvogel, e-doch, geen flierefluiter.

Paradoxaal, die tussentaal
Genoeg getwist en -turned. Over gekheid op lettertypeachtige stokjes gesproken: tussentaal is een paradox. Taal is tussen mensen. Ieder gesproken woord krijgt iets van zijn spreker mee. Aan ieder antwoord heeft de ontvanger iets toegevoegd. Tijd, ruimte en lichaamstaal doen hetzelfde met woorden, zinnen en teksten. Taal is tussen of is niet. Punt uit.

Dus meneer is een taalnihilist? Neen, maar taalzuiveraars moeten weten waar ze mee bezig zijn. Het zal wel iets met identiteit te maken hebben, al kan ik me voorstellen dat de verklaring lichtjes zal neigen naar het Romantische ideeëngoed aangaande nationalisme. Dat taal identiteit is, zal ik niet ontkennen. Vanuit die gedachte leef ik, schrijf ik gedichten en leef ik me uit in mijn job als copywriter. Ik ben betaald be-taler, woordvoe(r)der. Ik vind het net zo jammer dat dialecten verloren gaan omdat een aantal generaties geleden het verloochenen van je dialect een manier was om hoger op de sociale ladder te geraken, een evolutie die je moeilijk succesvol kunt noemen. Aan u om te oordelen hoe u dat laatste moet interpreteren.

Ik spreek Chinees dus ik ben een Chinees?
Welke identiteit wil je dan aannemen door taalpurist te zijn? Moeten we via Standaard Nederlands ons onderscheiden van een vaag amalgaam als “de rest”? Verliezen we onze grenzen omdat onze taal schaamteloos gekoloniseerd wordt door marketenglish en het computerese of het rapsodiaans? Is die strijd voor de zogenaamde zuivere identiteit niet veeleer een interne strijd van een taalnobele vrijmetselaarij? Wie zal het zeggen?

Klinkt het niet, dan botst het niet
Ik wil gerust een poging doen. Taalpurisme alleen zal onze taal niet redden. Ongebreidelde taalcreativiteit wel, dat betekent dus taal tot leven brengen met alle bits en bites die voorhanden zijn. Nieuw is niets anders dan een verrassende combinatie van bestaande zaken. Een kind van het postmodernisme? Wie weet. Veeleer een nostalgische cyberknul met een afkeer voor cynisme en een liefde voor uitgebreid ronddwalen. De auteur is allesbehalve dood. De taalcreativiteit evenmin. Er borrelt wat in de tussentaal. Dat het maar blijft borrelen en dat het maar blijft botsen met iedereen die zich taalpurist noemt. Zolang het pareltjes als bengelbewaarder (voor babysitter) of kraanpaard (giraffe) voortbrengt, zal je mij niet horen klagen.

En u?

Collega Lucien Splinter van het bureau Hendrikx Van der Spek schreef over hetzelfde onderwerp dit leuke stukje.

Iemand zin om lid te worden van de Bond tegen Leenwoorden (BTL)?

Meer van dattum: hier

0 Jij krijgt het laatste woord.: