6.5.08

pantiro

hoe kun je tegen elkaar strijden voor elkaar als de nacht dient om het licht van de dag te vergeten terwijl de sterren en de maan net het omgekeerde beweren? wat herinnert er nog aan het strelen wanneer we in onze schaafwonden blazen? zijn het misschien kussen om de pijn te sussen? een zwijg-stil-toe-laat-me-niet-boos zijn? als je struikelt onderweg, is de hele weg ernaartoe dan ook tevergeefs geweest?

het zal zijn of het zal niet zijn. als je stilstaat. de haren die de wind streelt zullen straks gegeseld worden door de hagel, het is dezelfde wolk die lief en leed met je deelt. eerst nog gleed je zacht wiegend met het hoge gras in de weiden links en rechts van je door de velden over het zacht meanderende paadje, het grind ging met een verliefd zuchtje weer achter je liggen. kijk je nu eens gaan. je trapt en trapt en trapt en trapt, het pad klampt zich aan de bermen vast om niet onder je gebeuk te bezwijken terwijl de lucht kolkt alsof de hemel en de aarde tegelijk zullen opensplijten en je regelrecht de afgrond in stort. je was een ruiter op een galopperend paard, je bent een mug in de hals van een dolgedraaide merrie. hetzelfde paard, hetzelfde pad, dezelfde ruiter.

wanneer de inkt verbleekt, dooft het licht uit in de pagina. het blad is amper nog goed voor een bootje, gefrommel met veel te weinig hoekjes en kantjes, beheersing uit respect, zeg maar. zeg maar niets. dat is al meer dan genoeg. maar als de letters verdampt zijn en het boek uitgesproken is, zal de wereld dan zonder verhalen zijn? het is niet omdat een punt je zin stokt, dat de rest moet zwijgen.

laat ik je eens liefhebben. laat ik je loslaten. laat ik niet molenwiekkend achter je aanhollen, graaiend naar je stuur, een tikje hier, een tikje daar, op zoek naar evenwicht, laat ik maar voor je zorgen door je de wereld te laten. geen kussen meer najagen, als een kind de vlinders in een zomerstorm. de handen laten zakken. zakken. even tot jezelf komen, je sleutels vinden. ermee rommelen, wat geld, een beetje goed geluk, wat dromen van een glas bier op een terras dat nu nog aan de andere kant van de wereld ligt, maar straks alweer een halfuurtje van hier.

ik zie je vechten. laat het een dans zijn, probeer ik. laat het de vrije loop zijn, op goed geluk. laat het de beklimming van de mont ventoux zijn aan het einde van een superspannende tour de france en ik de enige toeschouwer. laat het maar zijn wat het is. het is zo al gek genoeg. wat is genoeg? wat is gek genoeg? ik zie hoe de prikkeldraad naar je enkels graait. ben ik de enige die dit ziet? ik zie hoe de populieren op knappen staan om je één voor één te vermorzelen.

in het diepst van mijn gedachten. daar kom je enkel jezelf tegen. geen jan zonder vrees. geen held. geen spieren geen vernuft geen slavenvolk om je sterk te maken en je te verstoppen in een burcht. noch troje. noch paard. noch helena. al heb je haar schoonheid wel. en het gevoel dat je enkel de mijne werd als ik je mocht schaken. laat ik van je houden, maar dan zonder n met open einde je weet wel niet hoe dat gaat.

je neemt een bocht. een hoekje om. aan de einder (waar zeg je) slaat de bliksem in, ik weet het zeker, hij miste je op een haar. een uur later kom ik naast je staan. je fiets staat heelhuids tegen de muur geparkeerd. een slot als teken van bewaring. waar was je toen ik je nodig had? je nipt aan een fruitsap. je mond en ogen - een beetje zon in tegenlicht - in echo. hier. toen daar.

praatjesmaker.

1 Jij krijgt het laatste woord.:

Marie zei

Vergeef me het afwijken van de dichterlijke richting die je in deze post aangeeft... maar ik wou je toch even vertellen dat ik daarnet op Parlando je verslag van een langgeleden poëzieavond van 'de Germaanse' las. Ik lachte, want hoe je het beschreef, zo was het, de passie voor woorden onder lagen stof en toch behoorlijk gemeend.

Groetjes
Marie