10.7.06

[Kritiek - Poëziekritiek] POËZIE BESTAAT NIET: EEN KUNSTONZINNIG SPRAAKGEBREK 1.

In mei schreef ik volgend pamflet naar aanleiding van de oprichting van het IvOK. Voorlopig heeft de redactie al enkele reacties verzameld waaronder die van de directeur van het Onderzoeksinstituut en dichter Jan Lauwereyns. De reacties die op mijn oude weblog gepost werden, zullen hier ook verschijnen.

Wat denken jullie hiervan? Post je reactie of e-mail naar redactie@rektoverso.be. Dit artikel en de andere teksten uit rektoverso vind je vanaf nu integraal op Urbanmag.

Arne.

OPINIE

Op 3 mei 2006 werd het Instituut voor Onderzoek in de Kunsten
opgericht. Het IvOK verenigt de kunstdepartementen van de hogescholen
van de Associatie K.U.Leuven met de relevante onderzoeksgroepen binnen
de universiteit. Het inspireerde de dichter Arne Schoenvuur (pseudoniem
van Hannes Couvreur) tot een Open Brief, waarop directeur Yves
Knockaert wilde reageren. Ook de dichter en wetenschapper Jan
Lauwereyns spreekt zich over de zaak uit. Rekto:verso volgt de zaak op,
en verzamelt graag uw reacties op redactie@rektoverso.be.


Op woensdag 3 mei 2006 werd in Leuven het Instituut voor het Onderzoek in de Kunsten plechtig ingehuldigd. (associatie.kuleuven.be/ivok/oprichting.htm). Een heuglijke dag, want het instituut is een bijzonder lovenswaardig initiatief. Alles in orde dus, ware het niet dat er een grote afwezige is in het hele gebeuren, met name de literatuur. Op de website van het IvOK staat dat het instituut een conglomeraat is voor onderzoek naar alle kunstdisciplines, zijnde ‘beeldende kunsten, audiovisuele kunst en productdesign, muziek en podiumkunsten, architectuur en binnenhuisarchitectuur’. Het is daarnaast ook de bedoeling om de academisering van het Hoger Kunstonderwijs te verbeteren. Dat is, ondanks al die mooie intenties, toch bedroevend. Want waar is de dichtkunst? Waar is de taalkunst? Waar zijn de reflecties op die kunstvorm die een belangrijk aspect van ons denken hanteert, de ‘materie’ van ons spreken, de taal? Nergens.


POËZIE IS KU(NS)T?

Hoe dat komt? Binnen de kunsten bekleedt de poëzie een schizofrene positie. Poëzie is kunst, maar toch is er in onze contreien geen ziel die het in zijn of haar hoofd haalt om de kunstwetenschappelijke methodiek te hanteren om poëzie te benaderen: niemand betrekt poëzie echt serieus in een breder artistiek onderzoek. Ook over de dialoog tussen een gedicht en een kunstobject of over de evenwaardigheid van de twee wordt eigenlijk nooit voldoende nagedacht. Beschikken poëzie en kritiek over het discours of de nodige knowhow om op een overtuigende manier de poëzie in het kunstenveld te positioneren? Dat is mijn vraag.
De Franse filosoof Alain Badiou is een van de mensen bij wie ik ondertussen een aanknopingspunt gevonden heb. In zijn boekje Petit Manuel d’Inesthétique gaat Badiou op zoek naar een nieuwe kunstfilosofische benadering die overeenkomstig is met de Zeitgeist, én interessant voor ALLE kunstvormen. Zelf beschik ik niet over de nodige middelen, de tijd en de ervaring om alles te duiden. Er zijn vast meerdere hedendaagse werken als die van Badiou, meerdere hedendaagse critici, wetenschappers, kunstenaars of filosofen die een dergelijke poging ondernomen hebben. Wie zijn ze? Waar zijn ze? Zwijgen ze? Ik weet het niet. Vandaar dat ik mij tot jullie richt.

ILLUSIES VAN EEN HYPOCHONDER?

Nu de oprichting van het kunsteninstituut een feit is, hoeft mijn stelling nauwelijks nog betoog, lijkt het. Symptomatisch voor het gebrek aan erkenning en kennis van de literatuur in het academische kunstenveld was bijvoorbeeld al te zien tijdens Itinera, een Gents colloquium in 2002 over de toekomstwegen van de kunst. In de teksten die een neerslag vormen van het colloquium wordt over de literatuur nauwelijks gerept. Roland Jooris, dichter en toenmalig conservator van het Raveelmuseum, hield ter gelegenheid van het academische samenzijn wel een slap-romantisch betoogje over de relatie tussen schilderijen en poëzie. Ik heb respect voor Jooris als dichter en conservator, maar deze tekst was echt te belachelijk voor … jawel, woorden. De zwarte vlek die Itinera was, dreigt nu nog maar eens bestendigd te worden met het nieuwe instituut.
Dramatiseren heeft geen zin, daar ben ik me van bewust. Maar hoezeer ik de kunst genegen ben, toch kan ik het niet laten om enigszins honend te doen over de grootse plannen van het instituut. Waarom? Omdat ik weet hoezeer alle kunstenaars uit de door het IvOK ‘erkende’ disciplines met literatuur bezig zijn. Kunstenaars lezen de werkelijkheid, en hertalen of be-talen die. Ze ontdekken concepten niet enkel in beelden of muziek, maar vooral ook in de taal, in de communicatie en in de literaire kunst. En wat wordt er gedaan aan de studie van die kunst? Veel, maar dan bij de vakgroepen literatuurwetenschap en NIET in het kunsteninstituut. Kunst- en literatuurwetenschap, het schisma blijft onverbiddelijk overeind.

LITERATUUR IS VOOR DOE-HET-ZELVERS

En daarmee zijn we aan de andere kant van het verhaal aanbeland. Want waarom zwijgen de literatuurtheoretici? Waar zijn die academici? En waarom vindt iedereen het normaal dat er geen kunstenopleiding is waarmee je kunstenaar in de taal kunt worden? Ach ja, de Rietveldacademie doet een schuchtere poging, en dat is beter dan niets. Ook veel amateurclubs en -opleidingen proberen de leemte op te vullen, maar literatoren, dichters zijn in de eerste plaats autodidacten. De romantiek van de zolderkamer blijft hardnekkig woekeren. We zijn er ons niet van bewust, we denken dat we professioneel bezig zijn, maar zijn we dat wel?
Natuurlijk zijn er heel wat dichters die op een gestructureerde en artistiek doorleefde manier werken. Het valt overigens op dat heel wat van onze betere Vlaamse en Nederlandse dichters een behoorlijk stevig academisch diploma en/of een flinke dosis academische ervaring op zak hebben: Jan Lauwereyns, Geert Buelens, Stefan Hertmans, Erik Spinoy, Nachoem M. Wijnberg, Alfred Schaffer, Piet Gerbrandy, Ilja Leonard Pfeijffer … (met excuses aan het hele legertje dat ik vergeet). Even velen onder hen hebben dat diploma niet – het diploma maakt de dichter niet. Iemand een student op overschot om een correlatie te zoeken? Bij de slammers (poppie-podiumdichters) ligt de verhouding misschien ietwat anders. Ook daar zijn interessante correlaties te ontdekken.
Natuurlijk zijn dichters kunstenaars, natuurlijk creëren zij kunst. Die kunst is er, ondanks het gebrek aan een structuur voor een artistieke opleiding én zonder een erkende situering van de poëzie in het kunstenveld. Het is zo’n beetje als met warm water. Dat was ook al warm voor iemand het ‘warm’ noemde. Of net niet? Maar waar zanik ik nu over? Het gaat toch goed met die literaire kunst, want zo geïsoleerd lijkt ze helemaal niet. Literaire tijdschriften als DWB of De Brakke Hond slaan hun pagina’s regelmatig open voor beeldende kunst. Er zijn evenementen waar beeldende kunsten, podiumkunst, muziek en poëzie met elkaar verweven worden. Dus waarom malen?
Omdat het te verleidelijk is om in die val te trappen. Daarom dit: de Nederlandstalige poëzie is een artistieke nul. Geen geval van nultolerantie, maar een bewuste provocatie. Is het niet tijd dat de poëzie ophoudt met zelfzuchtig te zeggen dat haar werk het beste antwoord is op al die vragen? Want spreekt dat werk nog? Spreekt dat werk wel vanzelf? Is de stem van een artistiek werk niet deels of geheel de echo/de lezing die gedragen/geproduceerd wordt in de maatschappij? Moet aan dat echoën en de bewustwording ervan niet dringend wat gesleuteld worden?

LA PAROLE POESIE

Poëzie moet opnieuw haar plaats verwerven in het maatschappelijke gesprek. Wat er over en door de poëzie gezegd wordt, is relevant voor de samenleving. Badiou is daar een perfect voorbeeld van. Zijn visie, zijn benadering slaagt erin om aan de hand van twee gedichten (één van een Arabische dichter en één van Mallarmé) een hele filosofische visie op te bouwen en die aan de maatschappelijke realiteit te toetsen. Met die ‘gedateerde’ gedichten zorgt Badiou voor verhelderende inzichten in de huidige samenleving, in maatschappelijke systemen die hij zonder de concepten uit die gedichten misschien niet zo scherp had kunnen benoemen.

Er is – met alle stadsdichtersoaps in het achterhoofd – bijzonder veel geëmmerd over hoe de poëzie weer bij ‘de mensen’ moest komen. Net zoals er trouwens heel wat te doen is geweest over hoe de hedendaagse kunst in het algemeen al dan niet te elitair is geworden. Maar die populistische val miskent het probleem, want door dichter bij de mensen te komen, id est door verstaanbare en simpele teksten te schrijven, wordt poëzie niet meteen maatschappelijk relevant. Een tekst die moeilijk is kun je best maatschappelijk verstaanbaar maken. Dat hoeft die poëzie niet te doen. Poëzie wordt maatschappelijk relevant als je er als kritiek in slaagt om de poëzie te duiden als ‘dichter bij de menselijkheid’. Daarmee is meteen ook duidelijk wat een goed gedicht kenmerkt, namelijk dat het de menselijkheid op de huid gaat zitten.

AI, THERE’S THE RUB …

Mijn vragen en verzoeken over dit probleem gaan verschillende richtingen uit:
1. Aan de ‘klassieke’ kunstwetenschappers: breng alstublieft het literatuuronderzoek meer in jullie midden.
2. Aan de literatuurwetenschappers: ga alstublieft te midden van de kunstwetenschap staan, spreek meer en nadrukkelijker over de literatuur als een kunstvorm.
3. Aan de filosofen/kunstfilosofen/critici: behandel poëzie alstublieft als een kunstvorm te midden van het hele kunstenveld. Bekijk de poëzie als filosofisch en maatschappelijk interessante kunstvorm.
4. Aan de dichters: doe zo voort alstublieft, maar ga vooral verder. Voel je niet te goed om je te willen positioneren. Het mag, wat Bourdieu over positionering ook geschreven heeft.
5. Aan de overheid: zorg voor een integratie van de literaire artistieke opleiding in het kunstentraject.

Deze tekst wil een aanzet zijn om wat misschien al besproken wordt meer naar buiten te brengen en om de alertheid rond de manier waarop we het kunstenveld structureren te vergroten. Om onze kunst, onze filosofie en onze artistiek geïnspireerde maatschappelijke reflectie te stimuleren. Om onze dialoog te voeden en … om de literatuur en in het bijzonder de poëzie te herontdekken als artistiek volwaardige kunstvorm. Het woord is aan u.

‘It was when I said,“Words are not forms of a single word.
In the sum of the parts, there are only the parts.
The world must be measured by eye”

Openingsverzen van ‘On the Road Home’
Uit: Parts of a World van Wallace Stevens

--
Posted by Arne S. to Kritiek - Poëziekritiek at 7/10/2006 01:31:55 PM

3 Jij krijgt het laatste woord.:

Bertus Pieters zei

Mij lijkt dat het in het spraakgebruik scheiden van kunst, literatuur en muziek (want het is niet zelden een driedeling) te maken heeft met de oorspronkelijke handwerkskant van de beeldende kunsten. De combinatie van het fysieke en het ambaschtelijke heeft de beeldende kunst vanaf de Middeleeuwen (en wellicht al eerder) apart gesteld van de andere kunsten. Het hakken, beitelen, pigmenten malen en mengen, het prepareren van hout en linnen enz., behoren/behoorden tot de ambachtelijke rituelen van de beeldende kunsten. Muziek en literatuur zijn van nature in de eerste plaats intellectuele zaken. Het is ook opvallend hoe architectuur, mode en design ook steeds weer in verband gebracht worden met beeldende kunst. Met name design heeft zich daarin steeds een grotere status verworden. De vraag of architectuur tot de beeldende kunsten gerekend mag/moet worden is ook al zo'n eeuwige veenbrand. Een veenbrand die zich heeft uitgebreid naar zaken als mode en design. Begrippen als ambachtelijkheid en intellect staan bij dergelijke discussies steeds centraal, maar ook de onderlinge stilistische invloed.
Terug naar de hoofdzaak is er nog de onderlinge machtsverhouding: het feit dat literatoren uitstekend in staat zijn iets te schrijven over een beeldend kunstwerk en het daarmee ook waarde kunnen geven, geeft hen a.h.w. intellectuele macht over de beeldende kunstenaars, die zich 'slechts' met (stomme) beelden kunnen uiten. Het muziekcomponistendom heeft zich altijd op veilige distantie daarvan bevonden. Immers, zij beheersen een schrift dat door literatoren niet beheerst wordt en dat door velen slechts gehoord kan worden wanneer het door muzikanten uitgevoerd wordt.
Nu zijn de Middeleeuwen al weer ver weg, gilden bestaan niet meer en ook de edelen die wél mochten schrijven omdat dat geen ambachtelijke handarbeid was, zijn zo goed als uitgestorven.
Ook de opvattingen over de verschillende kunsten zijn sterk veranderd. Onderhand is wel duidelijk geworden dat termen als beeldende kunst, poëzie, muziek etc. alleen iets zeggen over de manier waarop een kunstwerk tot stand is gekomen. Zeker, materiaal en vorm zijn nog steeds onderdeel van de totaliteit van een kunstwerk en in zoverre is er nogal een verschil tussen bijv. een gedicht en een schilderij. Echter, de primaire intenties van de producten van die verschillende disciplines zijn inwisselbaar. Verder wordt de ambachtelijkheid (van oorsprong een begrip dat sterk werd verbonden met handenarbeid) steeds algemener ook uitgelegd als een geestelijke vaardigheid. En sinds wij weten hoe hersenen functioneren, is het wel duidelijk dat handenarbied niet los gezien kan worden van hersenarbeid.
Ook de grenzen tussen de verschillende disciplines zijn behoorlijk vervaagd, dusdanig dat het benoemen van disciplines ook steeds vager en moeilijker wordt. Wat zijn bijv. audiovisuele kunsten? Mij lijkt toch dat veel podiumkunsten ook behoorlijk audiovisueel zijn. Immers, wie doof of blind is, mist bij een podium toch al gauw de helft.
Het benoemen van verschillende disciplines in de kunsten, om daarmee een idee van compleetheid te geven is daardoor bijna iets onrechtvaardigs geworden. Het zou daarom prettig zijn als het woord 'kunst' werd opgevat als een begrip dat alle benoembare en onbenoembare disciplines der kunsten omvat. Dan blijft alleen nog over, wat je onder kunst moet verstaan. Maar dat is een andere vraag, waarop het antwoord hopelijk voorlopig nog niet defintief gegeven kan worden.
Terugkomend op de opsomming en de verdediging door het Leuvense Instituut, blijkt weer dat een opsomming van disciplines het tegenovergestelde teweegbrengt van wat men kennelijk zou willen: een complete en afdoende omschrijving van alles waarmee men zich bezighouden wil. Dit wordt nog versterkt doordat het Instituut met een air van vanzelfsprekendheid de poëzie onderbrengt bij de poiumkunsten. En dat terwijl we in tijden leven dat het woord allang niet meer slechts leeft dankzij een podium, met name sinds en uitvinding van de drukpers en sinds de alfabetisering. Ook het feit dat architectuur apart genoemd wordt naast de beeldende kunst schept mijns inziens eerder verwarring dan compleetheid.

En tot slot, wanneer men het heeft over kunst en literatuur (en muziek), moet ik toch steeds denken aan het soort geestelijke apartheid dat de Britten tentoonspreiden over hun eigen land t.o.v de ander Europese landen. Koop bijv. in België of Nederland een vogeldeterminatieboek. Grote kans dat het een titel heeft als 'de vogels van Europa' of iets dergelijks. In Engeland heet de vertaling dan 'birds of Britain and Europe'. Het heeft een zelfde soort gevoelsapartheid die de term 'kunst, literatuur en muziek' heeft. En het roept ook dezelfde twijfels op, nu een dergelijke onderverdeling meer verwarring dan helderheid schept.

Bertus Pieters

X. Roelens zei

ja, maar...
Enerzijds vraag ik mij (heel naïef) af: als poëzie geen kunst zou zijn, wat zou het dan wel zijn? Wat beweren al die mensen dan wel dat het wel is?
Anderzijds is het zo dat "kunst" een dubbele betekenis heeft en naast zijn gebruik als algemene noemer voor alle kunsten vaak herleid wordt tot "beeldende kunst". En dan worden er woorden als "podiumkunsten", "audiovisuele kunsten", enz. uitgevonden. Maar een term als "woordkunst" klinkt zo belegen als de kaas die ik straks zal eten. Waarom? Omdat er ooit een nieuw woord als "literatuur" voor gebruikt werd? Wanneer en waar ontstond de scheiding literatuur/kunst? Dat vraag ik mij nu af, ze. Want misschien zal het antwoord op die vraag een zicht geven op het waarom men dat toen deed.

En vervolgens kan het interessant worden om de vraag te stellen of die scheiding nu nog nodig/interessant/bruikbaar is. Mijn persoonlijke mening is dat het dat niet is.

x

Arne S. zei

Ja zeker
Dag X,

Vraag: Als poëzie geen kunst is, wat zou het dan wel zijn?

Antwoord: Wat is kunst? Hoe benoemen wij? Waarom benoemen wij? En wat is de impact van het benoemen?

Om zomaar te stellen dat het begrip "woordkunst" belegen is, is net niet de moeite willen doen om je hardop te gaan afvragen - in een constructieve zin - wat kunst betekent, hoe we kunst benoemen, hoe wij literatuur benoemen, hoe wij ... de werkelijkheid structureren in taal.

Zeggen dat de tegenstelling kunst/literatuur onbruikbaar is klopt, omdat het net hetzelfde is als zeggen dat Mercedes tegenover auto staat.

Foucault vind ik op dat vlak nog altijd geweldig. Zijn analyses van hoe wij ons denken en doen laten bepalen door discours en zelf weer het discours bepalen door ons denken en doen zijn erg verhelderen.

Als taalkunstenaar moet je toch weten hoe je met woorden een denkbeeld kan openbreken of hoe je net voelt hoe woorden een denkbeeld hebben vastgezet?

Daarom denk ik dat het belangrijk is om te blijven noemen en benoemen en om al die begrippen die we hanteren misschien tegen beter weten in te blijven uittesten en uitdiepen.

(X. die vraag die jij aan het einde stelt, was overigens mijn uitgangspunt voor mijn probleemstelling. l'histoire se répète, n'est-ce pas)