30.10.06

Lijkenpikken (naar Wachten in Wupperthal)

Op De Contrabas is Neerlandicus Yves T'Sjoen begonnen aan een merkwaardig tweeslachtig literair reisverslag. Daarbij hanteert T'Sjoen twee diametraal tegenovergestelde blikken. Hij kijkt, tuurt, staart naar poëzie die hem aangrijpt om vervolgens zijn blik naar binnen te richten en te bestuderen wat die teksten met hem doen. Al bij zijn eerste essay (over de Auschwitz-gedichten van Pernath) voel je een aanstekelijk, nauwelijks te bedwingen enthousiasme.

Het stuk zelf houdt het midden tussen een dagboek, een reisverhaal en een impressionistisch schilderij. Bent u een beetje "puzzled"? Ik was het alvast ook. Meer nog, ik was geïrriteerd en geïntrigeerd tegelijkertijd. Niet in het minst door de verzen van Pernath. De literaire lijkenpikker die ik ben, heb ik twee verzen uit het essay gesneden. Ik heb ze gekauwd, geproefd (gesmaakt!) en ingeslikt.

Wat u hier vindt, is een verslag van het verteringsproces.

"Verwaarloosd kwam ik tot leven
In deze velden van de onnoemelijke dood"

Hugues C. Pernath - Auschwitzgedichten (nr 2)

Het verlangen om de menselijk noblesse oblige waar te maken, is meteen ook de kern van de ironie van diens bestaan. Want verwaarloosd betekent achtergelaten, overbodig of – om het Frans nog even vast te houden – quantité néglibable. Het oordeel is al geveld voor het besef komt. Valt hier nog iets goed te maken?

De uitroep van Pernath gaat gepaard met een schuldvraag, een bijna exhibitionistische zelfdissectie van een docent die langzaam zichzelf ontleedt voor het oog van zijn studenten. Wie is hiervoor verantwoordelijk, wie heeft aan mij verzaakt? Hoe meer het vel opengetrokken wordt, hoe groter de hoop ingewanden op de operatietafel, hoe harder deze vragen klinken.

Door zichzelf te ontleden impliceert de dichter dat hij vermoedt dat hij zelf de meeste verantwoordelijkheid draagt voor zijn onvolkomenheden. Het devies van Alexander Pope indachtig (“know then thyself, presume not god to scan, the proper study of mankind is man”) houdt hij god zo lang mogelijk buiten, probeert hij zijn eigenwaarde te vergroten door te bewijzen dat hij zichzelf ten gronde kan analyseren.

Tegelijk herleidt de dichter hier in één vers de geboorte tot metafoor van de verwerping. Ontstaan is afgescheiden worden, is gelost en verstoten worden. De geboorte confronteert de dichter met zijn identiteit, zijn egoconcentrische eenheid die slechts eenmaal zal zijn. Er spreekt een verlangen uit om in diezelfde eenheid deel uit te maken van een groter geheel, van datgene wat hem voortgebracht heeft.

Maar veel sterker nog dan het heimat-verlangen weerklinkt de kille galm van angst. Pernath heeft schrik, hij vreest het moment waarop hij diasporisch zal verdwijnen, waarop hij letterlijk uiteenvalt in stof, talloze naamloze partikels die nooit meer tot hem te herleiden zijn. Niet onnoembaar, maar onnaambaar, niet meer in één naam te nemen.

Het zou een dichter tot rust moeten brengen, hem troost bieden dat zijn naam uitwaaiert. Maar hij kan niet ontkomen aan de morbide keerzijde van die bevrijding, aan de absoluut verpletterende onverschilligheid waarmee zijn werk zich presenteert wanneer de identiteit van de dichter al lang vervlogen zal zijn. De bergen tanden, brilletjes, haren van Auschwitz-slachtoffers vertellen net hetzelfde.

0 Jij krijgt het laatste woord.: