12.10.06

randgevallen

“Hij vreesde de zomer op het land, alleen in het kleine huis met de dienstbode die het eten voor hem kookte, en de huisknecht die het opdiende; vreesde de vertrouwde aanblik van de bergtoppen en – wanden die zijn ontevreden traagheid weer zouden omringen.”

De dood in Venetië, Thomas Mann.


Iedere ochtend kruip je halfslaperig onder de lakens uit. Je laat je onderbenen van het bed zakken, schrikt van de eerste aanraking met de koude vloer. Er zit eelt op je voetzolen. Dat maakt het leven draaglijker.

Half voorovergebogen zit je op de rand van het bed, je zoekt het juiste ritme van je adem, laat je longen alvast op de feiten vooruitlopen. Terwijl buiten de aanwezigheid door alsmaar groter wordende scheuren, kieren en barsten naar binnen lekt blijft het hier nog even leeg.

Hoofd op de ellebogen. Je staart naar de rode betonvloer tussen je voeten en je tenen. Er komt een dag dat alles vloeibaar wordt, weet je.

Je besluit op te staan.

Met een kordate beweging schuif je het gordijn opzij. Misnoegd over zoveel onwrikbaarheid verraad je nog liever je schuilplaats dan te wachten tot alles implodeert en je vanzelf naar buiten gestuwd wordt. Het licht laat de gelegenheid niet onbenut om zich meester te maken van je kamer. Het overzicht is genadeloos. Ieder beetje houvast maakt je kwetsbaar. Er komt bloed uit de wijsvinger van je rechterhand. Opengehaald aan de muur. Kutgordijn.

“Op een dag is alles anders.”

De letters op het raam verdwijnen even snel als ze gekomen zijn. Vanmiddag zullen het enkel nog vieze vlekken zijn.

Aan de overkant van de straat zie je hoe iemand snel een gordijn dichttrekt. Een vroege fietser werpt je een boze blik toe voor hij verder fietst. Koud. Het glas duwt zachtjes tegen je penis. Je geniet. Je denkt: hou van me. Laat iets me toch omhelzen.

Ze denken dat je gek bent. Je buurvrouw met haar brede heupen en haar onverantwoord geile kont. Ze heeft cystes op haar eierstokken en kan geen kinderen krijgen. Je ouders, van wie je weet dat je moet houden, maar waarvan je beseft dat je het niet kan. Het jonge koppel dat de andere kant woont – hij accountant bij een groot bedrijf, zij huisvrouw (ze doet het met de postbode) – houdt angstvallig hun kinderen binnen als ze weten dat ik thuis ben.

Je weet niet wat je mist.

Iemand heeft een kauw doen landen op de vensterbank. Of het dier je aankijkt? Valt moeilijk te zeggen. De glazige oogjes spiegelen je blik. Dit is de ultieme blik voor iedere psycholoog. Dring daar maar eens in door.

Waarom kijken naar elkaar? Hier is geen eten. Jij hebt geen honger. Kauw staart naar naakte man achter raam op novemberochtend. Het is overbodig. Iemand weet beter.

De vogel heeft het begrepen, wipt tot aan de rand van de vensterbalk, draait zijn kop nog een laatste keer en laat zich vallen. Je sluit je ogen.

Het is pas op de richel, net voor je valt dat je weet wat evenwicht is.

Het begint zachtjes te regenen.

0 Jij krijgt het laatste woord.: