21.6.06

[Kritiek - Poëziekritiek] Wie ben ik: de eigenaardigheid van een eigennaam

Anonymous said...


wie ben jij?

5:37 PM

Arne S. said...

Arne Schoenvuur. En jij?

6:06 PM

Anonymous said...

misschien je tegenovergestelde, misschien ook niet. Wil ik je wel vertellen, maar niet voor gans cyberspace.

6:29 PM

Anonymous said...

maar wie ben jij? (en deze keer niet zo flauw)

Wie ben ik? Niet, wat ben ik? Of is wat ik ben ook wie ik ben?

Weledele anonieme bezoeker, je maakt het me niet makkelijk. En dat hoeft ook niet.

Arne Schoenvuur - per abuis ook wel eens aangekondigd als Arne Schoenmaker - is dichter. Niet voltijds, maar altijds.

Als je me eens door de Google-zeef haalt, kom je er al snel achter dat ik per ouderlijke definitie (en door de nauwgezetheid van een of andere gemeentelijke ambtenaar van de dienst bevolking) Hannes Couvreur heet. Bij deze heb ik je enig opzoekingswerk bespaard.

Over dat synoniem ga ik niet mysterieus doen. Het is een anagram van mijn naam, te voorschrijn getoverd tijdens een behoorlijk saaie les historische taalkunde, nu alweer 4 jaar geleden.

Waarom ik die naam gekozen heb? Voor het plezier. Omdat ik wil voelen hoe het is om je een andere naam aan te meten. Misschien ook om afstand te creëren.

Wat is er zo eigen aan eigennamen?
Eigennamen zijn rare dingen. Enkele dagen geleden zat ik buiten op de stoep voor ons appartementsgebouw mijn fiets schoon te maken. Terwijl ik daarmee bezig was, zette onze Bulgaarse overbuurman zijn stoeltje naast me neer en ging gezellig zitten kijken hoe ik mijn spaken trachtte schoon te wrijven.

"Ik haat dat echt, die fietsen." zei hij plotseling. Ik wist even niet goed wat te zeggen. We hadden tot dan toe enkel naar elkaar geknikt op straat. Ik voelde me betrapt en stamelde wat terug. Dat ik het ook niet zo fijn vond, maar dat het eenmaal moest gebeuren. Niet veel later hadden we het verplichtte weerpraatje en net voor de eerste pijnlijke stilte viel, liep zijn jongste dochtertje hard tegen de deur aan, waarna hij scheldend opveerde om zijn schoonmoeder de mantel uit te vegen. Zij had de deur opengezwaaid en het kind onderuit gedonderd.

Pas veel later die dag drong het tot me door dat we ons niet aan elkaar hadden voorgesteld. Het zou nochtans een eenvoudige handeling geweest zijn: "Hallo ik ben Hannes" "Hallo ik ben ...". Maar geen van ons had eraan gedacht de oversteek te wagen. Want daar ging het om, om afstand. Wij bewaarden onbewust de afstand. Waarom?

Hannes groet 's avonds de dingen
Het is niet de eerste keer dat ik me verbaas over de werking van eigennamen. Maar nu was het wel heel erg confronterend. Ik zette me die avond aan tafel. "Dag Tafel", zei ik. Mijn vriendin was al naar bed, maar had ze me toen bezig gehoord, dan was ze vast en zeker in lachen uitgebarsten.

"Dag kast", "dag lamp", "dag stoel", "dag...", vrolijk mijmerde ik erop los en begroette - net zoals Marc - de dingen. Alleen, van zodra je de dingen bij hun naam noemt, en hen hardop begroet, zijn het geen dingen meer. Het zijn subjecten geworden. Van Ostaijen is een geniaal dichter, maar pas die avond is het tot me doorgedrongen waarom "Marc groet 's morgens de dingen" zoveel meer is dan een naïef singer-swingend kinderrijmpje.

tekstdialoog
Ik denk dat het Samuel Vriezen was die onlangs op De Contrabas schreef dat boeken die je lukraak na elkaar leest steevast in je hoofd met elkaar in dialoog gaan. Op dit ogenblik ben ik na jaren opnieuw aan het grasduinen in de essays van wijlen Herman De Coninck.

In het openingsessay van De Flaptekstlezer doet De Coninck uit de doeken hoe je vooral moet leren observeren wil je poëzie kunnen schrijven. Niet door schichtig rond te kijken, maar door het teveel aan indrukken filteren. Je moet je weer op de dingen leren concentreren, je vergrootglas bovenhalen, ze één voor één op je netvlies laten branden, zonder dat je voortdurend zit te denken dat het zonde is dat je maar naar een enkel iets zit te kijken want je mist zoveel. Terwijl het net omgekeerd is. Je mist veel meer als je alles slechts vluchtig bekijkt. Leven is massaconsumptie. Poëzie is verslaving.

het recht van de dingen is hun naam
De dingen hun volste recht geven. Daar komt het op aan. En dat doe je door ze te benoemen. In poëzie zijn de gebruikelijke namen niet voldoende. Ze vallen door de mand. Je kunt wel tafel schrijven, maar daarmee heb je nog niet de tafel die je nodig hebt waar dat glas op omgestoten wordt na die zoveelste ruzie over hoe hij smekt en hoe zij vit over dingen die toch zo onbelangrijk zijn.

Buiten de poëzie is het wel even anders. Daar spreken we de dingen niet aan. Dat hoort niet. We spreken zelfs nauwelijks nog mensen aan. Omdat ze dingen zouden blijven? Hoe denigrerend. Het enige wat ik had moeten doen om de naam van mijn overbuurman te kennen, was mezelf voorstellen en eventueel ook naar 's mans naam vragen. Poëzie is zo de werkelijkheid bevragen dat zelfs de dingen je weer gaan aanspreken. Om dan voorzichtig naar hun naam te vragen. Nee, poëzie is zacht en heel fijngevoelig met namen langs de dingen heen strijken en zien hoe ze zich al dan niet laten beroeren. Het is vragen om aandacht, zonder te schreeuwen, het is verleiden zonder vulgair te worden. Het is woorden ademen die de dingen uitademen. Het is hopeloos. Het is mooi.

Blijft de vraag: what's in a name?

mijn naam

Voor wat het ertoe doet:
- Hannes Couvreur aka Arne Schoenvuur
- Geboren te Gent op 24 augustus 1981
- Studeerde Germaanse Filologie in Gent en een jaartje journalistiek in Brussel
- Liet zich een jaar uitzuigen op Klara. En zoog er zich tegelijkertijd vol met fijne muziek, fijne vriendschappen en heel veel nieuwe, culturele ontdekkingen.
- Spuit teksten op commando als copywriter en probeert zijn collega's duidelijk te maken dat een copywriter geen tekstpoepend automaat is.
- Heeft dankzij Anna Tilroe het vak van de kunstkritiek leren kennen
- Heeft dankzij Anna Tilroe ook begrepen dat geduld een mooie gave is
- Heeft dankzij Anna Tilroe ingezien dat hij niet helemaal klaar is voor kunstkritiek
- En weet ondertussen dat hij gewoon zijn eigen ding moet doen
- en dat is verder doen.
- Ik heb een hekel aan mensen die zeggen – "Lees eerst eens dit of dat en dan gaan we nog een spreken." – als je hen een vraag hebt gesteld.
- Ik heb een hekel aan mensen die een hekel hebben aan mensen die vragen stellen.
- Ik hou van mensen die je de juiste vragen stellen.
- Ik wil niet antwoorden alsof ik het laatste woord wil hebben.
- Ik wil spreken tot ik bij een vraag uitkom.
- Wat ik lekker vind: Macaroni met kaassaus, hesp en champignons.
- Lievelingsdier: jachtluipaard
- Favoriete auteurs: Schaffer, Faverey, Wallace Stevens, Allen Ginsberg, Michel Foucault, Alain Badiou, Anna Tilroe, Herman De Coninck, Lucebert, Jan Lauwereyns, Mike Mignola,…
- Absolute tegenvaller: Gods ingewanden van Amélie Nothomb
- Muziek: Tenacious D (Concert in Phoenix), Reef, Lamb, Apocalyptica, Nick Cave, Cannonball Adderley (en dan vooral de plaat "Somethin' Else"), en nog zo veel meer (en wat doe je met dat meer)
- lijstjes: welke lijstjes en waarom?



--
Posted by Arne S. to Kritiek - Poëziekritiek at 6/20/2006 02:12:55 PM

1 Jij krijgt het laatste woord.:

Anoniem zei

Nu weet ik wat je bent ("met name" een dichter die de nadruk legt op wat dingen en subjecten zijn), maar niet wie je bent.

Probeer het nog eens.